Toelichtingen bij rapportage onderwerpen (deel 1) Regeling vaststelling invaliditeit met dienstverband
In deze toelichting worden een aantal rapportage onderdelen nader omschreven en uitgelegd
Ad 2.3.1: Beoordelingsgesprek gericht op het functioneren van betrokkene
De verzekeringsarts richt zich in het gesprek op de beoordeling conform het biopsychosociaal model (naast medische aspecten ook meewegen van de sociale context en relevante omgevingsfactoren).
Het is onvoldoende om vrijwel alleen naar klachten en behandeling te vragen. Met de meeste klachten kunnen de mensen nog werken. Daarom moeten de specifieke eisen van het werk (of de in het geding zijnde andere sociale rol) en de aspecten daarvan die de cliënt als belemmering beleeft concreet aan bod komen. Een in de alledaagse geneeskunde gebruikelijke ‘anamnese’ volstaat niet. Met de cliënt moet een meer op de beoordeling van het functioneren gericht gesprek gevoerd worden. Het (weer) beginnen met klachten en aandoeningen versterkt ook het misverstand dat men een uitkering krijgt vanwege ziekten, diagnosen of klachten. Het is in verband daarmee in veel gevallen aan te raden het beoordelingsgesprek juist met het werk of met de activiteiten van het dagelijkse leven te beginnen. Laat de cliënt eerst vertellen wat zijn activiteiten/werk inhoudt, wat hem motiveert het te doen, wat de plezierige en wat de minder plezierige aspecten zijn, welke aspecten hij denkt niet meer te kunnen doen, wat hij denkt dat daarvan de oorzaak is en wat hij eraan heeft gedaan dat probleem op te lossen. Dat laatste vooral in sociale zin.
Belangrijke vragen die in de klassieke medische anamnese niet vóórkomen maar die hier van groot belang worden geacht, zijn bijvoorbeeld:
– wat verstaat een cliënt die op het spreekuur kan komen onder de mededeling dat hij zich ‘arbeidsongeschikt’ vindt?
– waarom kan een cliënt bijvoorbeeld wel op maandag werken maar niet op dinsdag als het menselijke bioritme zich elke 24 uur herhaalt?
– zijn het dagverhaal en het functioneren in alle sociale rollen consistent met een aanmerkelijke claim?
– welke prioriteiten stelt de cliënt in zijn dagelijks leven?
– hoe wordt de cliënt op zijn werk vervangen?
– wat ziet de cliënt als oplossing van zijn probleem en wat heeft hij er concreet aan gedaan anders dan medische hulp zoeken?
– wat zijn de plezierige en wat de minder plezierige aspecten van het werk en welk (arbeid) perspectief ziet de cliënt voor zichzelf?
– wat er zou gebeuren wanneer de cliënt morgen zijn werk/activiteiten helemaal zou hervatten?
– wat ziet de cliënt als de oorzaak van het voortduren van zijn klachten en eventueel de (gedeeltelijke) werkloosheid?
– is er sprake van rolverwisseling met of voorbeeldgedrag van de partner?
Wanneer een cliënt geen referentie in ‘zijn arbeid’ heeft (bijvoorbeeld claims bij al langdurig werkloze arbeidsongeschikten,) verplaatst het zwaartepunt zich naar het dagelijks functioneren. Of naar het functioneren op school, in stages en naar wat de cliënt denkt dat hem in arbeid zou beperken.
Het een en ander impliceert dat een claimbeoordeling in principe steeds plaatsvindt op grond van een persoonlijke confrontatie met de cliënt. De standaard ‘onderzoeksmethoden’ geeft daarbij aan dat de onderzoeker zich baseert op binnen de beroepsgroep algemeen aanvaarde reguliere (sociaal-)medische onderzoeksmethoden.
Ad 2.3.2: Visie en toekomstverwachting cliënt ten aanzien van gezondheid, belastbaarheid en werken
De verzekeringsarts geeft hier een beschrijving van de claim en de claimklachten ten aanzien van cliënt’s eigen of van ander werk.
Welke perceptie heeft de cliënt van zijn gezondheid en herstel? Welke activiteiten onderneemt cliënt om het herstel te bevorderen? Welk effect hebben de klachten op het functioneren in het dagelijks leven? Waarin wordt cliënt gehinderd? Wat betekent dit voor werk? (eigen werk en ander werk?). Hoe ziet de cliënt de toekomst?
Ad 2.3.3: Eigen onderzoek en observaties
Het onderzoek bestaat uit observatie en onderzoek van de fysieke en psychische gesteldheid.
Bij onderzoek in het kader van de claimbeoordeling is observatie een essentieel onderdeel.
Lichamelijk onderzoek dient in principe te worden verricht indien de claim fysieke klachten betreft en op basis daarvan beperkingen worden aangenomen door de verzekeringsarts. Hetzelfde geldt voor onderzoek van de psychische gesteldheid. Indien wordt afgezien van onderzoek van de fysieke of psychische gesteldheid dient de reden daarvan te worden vermeld in de rapportage.
Mogelijke observaties zijn vastgelegd in de standaard ‘onderzoekmethoden’: Heeft de vermoeide cliënt kringen onder zijn ogen en reageert hij traag of oogt hij kerngezond en reageert hij alert. Bezorgt de cliënt de onderzoeker wellicht een gevoel van moeheid door de energiek gebrachte klachten? Is de depressieve cliënte onverzorgd en mat of juist gebruind, piekfijn gekleed en opgemaakt en bovendien levendig? Beweegt de cliënte met de whiplash de nek nauwelijks of juist onbelemmerd als de onderzoeker de aandacht even afleidt? Klimt de cliënt met rugklachten zonder enige moeite op de onderzoeksbank? Loopt de cliënt met ernstige knieklachten vlot door de gang? Blijkt er iets van de zo veelvuldig geclaimde ‘concentratiestoornissen’ of ‘geheugenstoornissen’ tijdens het intensieve gesprek? Overspoelt de ‘perfectionistische’ cliënte haar gesprekspartner met gedetailleerde wijdlopigheid of komt zij eerder over als pragmatisch, slagvaardig en behoorlijk autonoom? Is het huilen bij psychische klachten een uiting van depressie of juist van boosheid en behoefte aan wraak wegens een ervaren krenking? Bestaat er een discrepantie tussen inhoud en presentatie doordat een cliënt de ernstigste zaken lachend vertelt?
Het is van belang dat een onderzoeker zijn waarnemingen zoveel mogelijk spiegelt. De cliënt is daardoor in staat eventuele misverstanden te corrigeren. Bovendien kan de cliënt door het spiegelen aan het denken gezet worden. Veel cliënten externaliseren en zijn ambivalent over hun mogelijkheden. De cliënt behoort duidelijk uitgelegd te krijgen dat het enkele feit van een klacht, aandoening, verwijzing of het onder behandeling zijn, niet rechtvaardigt dat hij na een jaar nog afwacht of hij zal genezen. Dit is geen legitimatie om weinig tot niets ondernemen om de (arbeid/sociale) rol weer op te pakken.
Ad 2.3.4: Informatie van derden
De verzekeringsarts kan besluiten informatie op te vragen bij de behandelende sector. Van belang is dat de verzekeringsarts eigen onderzoek heeft gedaan en zich een eigen beeld heeft gevormd van de medische situatie. Er is altijd een gerichte schriftelijke machtiging nodig van cliënt, waarbij de vraagstelling helder is.
Indicaties voor het opvragen van gegevens bij de curatieve sector staan beschreven in de ‘standaard gegevensuitwisseling met de behandelende sector’. De meest voorkomende zijn:
– indien de verzekeringsarts op basis van eigen onderzoek twijfelt aan de consistentie van de klachten en beperkingen van cliënt.
– indien er na eigen onderzoek onduidelijkheid bestaat over de medische aandoening.
– indien de behandelaar een afwijkende visie heeft op de ernst van de aandoening.
– indien cliënt erop staat dat informatie bij de behandelaar wordt opgevraagd.
– Indien de huidige behandeling van cliënt het vermoeden doet ontstaan dat op korte termijn een verandering in de belastbaarheid is te verwachten.
Ad 2.5.3: Probleemanalyse
Zie paragraaf 4 (Herstel gedrag), 5 (toets op consistentie en plausibiliteit) en 6 (Hervatting sociale rol) voor een nadere omschrijving en toelichting.
Ad 2.5.4: Motivering beperkingen
- Regeling
- Regeling vaststelling invaliditeit met dienstverband
- Soort
- Ministeriële regeling
- Geldend vanaf
- 01-07-2026
- BWB-id
- BWBR0026218
- Versie
- 2026-07-01_0