wetzoeker

Artikel 2 Binnenvaartregeling

1. Patrouillevaartuigen zijn uitgerust met ten minste één bijboot of één automatisch opblaasbaar reddingvlot.

2. Het automatisch opblaasbaar reddingvlot wordt aan beide scheepszijden op een gemakkelijke en veilige wijze te water gelaten en is zodanig opgesteld dat het ongehinderd kan opdrijven, opblazen en vrij van het schip kan komen bij het onderwater geraken van de opstelplaats.

3. Het automatisch opblaasbaar reddingvlot is groot genoeg om alle zich regelmatig aan boord bevindende personen op te nemen.

4. Het automatisch opblaasbaar reddingvlot bevat ten minste de volgende uitrusting:

a. een stel drijvende roeiriemen;

b. een werplijn met een lengte van ten minste 30 m; en

c. een hoosvat.

5. Het automatisch opblaasbaar reddingvlot wordt jaarlijks gekeurd conform opgave fabrikant. Een bewijsstuk van de keuring bevindt zich aan boord.

Regeling
Binnenvaartregeling
Soort
Ministeriële regeling
Geldend vanaf
23-09-2026
BWB-id
BWBR0025958
Versie
2026-09-23_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl