wetzoeker

Artikel 3.1 — Waterdichte indeling Binnenvaartregeling

Waterdichte indeling

1. Voor veerboten wordt het drijfvermogen in geval van lek voor alle voorziene beladingstoestanden voldoende geacht indien voldaan wordt aan de volgende eisen:

a. het schip voldoet aan de eencompartiments-standaard. Hieronder wordt verstaan dat de plaatsing van de waterdichte schotten zodanig is, dat het schip na het vollopen van iedere willekeurige waterdichte afdeling niet inzinkt tot boven de indompelingsgrenslijn en dat aan onderdeel f wordt voldaan. Bij de lekberekening wordt rekening worden gehouden met de aard van de bouw, zoals asymmetrische ruimten;

b. als indompelingsgrenslijn wordt aangenomen een lijn op de zijde van het schip, die ligt op tenminste 10 cm onder het schottendek, respectievelijk onder het laagste niet waterdichte punt van het scheepsboord. Waterdichte vensters onder de indompelingsgrenslijn zijn toegestaan, wanneer zij niet geopend kunnen worden en voldoende sterk zijn.

Wanneer een doorlopend schottendek ontbreekt, wordt ter voldoening aan de regelen van het eerste lid een doorlopende indompelingsgrenslijn aangenomen die ligt op tenminste 10 cm onder het laagste punt waar de scheepshuid en de schotten niet meer waterdicht zijn;

c. in het algemeen wordt gerekend met een permeabiliteit van 95%.

Indien door een berekening kan worden aangetoond dat de gemiddelde permeabiliteit van een bepaalde afdeling kleiner dan 95% is, kan die berekende waarde worden toegepast. Het is niet toegestaan de waarde van de permeabiliteit lager te nemen dan:

1°. voor passagiers- en bemanningsverblijven: 95%;

2°. voor machinekamers en ketelruimen: 85%;

3°. voor laad-, bagage- en voorraadruimen: 75%;

4°. voor dubbele bodems, oliebunkers en andere tanks, al naar gelang deze tanks uit hoofde van hun bestemming bij het afgeladen schip als vol of ledig moeten worden aangenomen: 0 of 95%;

d. tussen het aanvaringsschot en het achterpiekschot gelden als waterdichte afdeling, als bedoeld in onderdeel a, slechts die ruimten die een lengte hebben van tenminste 10% van de lengtewaterlijn, echter niet minder dan 4 m.

Indien een waterdichte afdeling langer is dan hierboven is voorgeschreven en zodanig is onderverdeeld, dat waterdichte onderafdelingen zijn ontstaan, tussen welke de minste lengte eveneens aanwezig is, is het toegestaan deze voor de lekberekening in aanmerking te nemen;

e. Het is toegestaan dat de lengte van de eerste afdeling achter het aanvaringsschot kleiner is dan 10% van de lengtewaterlijn of 4 m.

In dat geval worden bij de lekberekening de voorpiek en de daarop volgende afdeling als gelijktijdig gevuld beschouwd. De afstand, gemeten tussen de loodlijn door het voorste snijpunt van de scheepsromp met het vlak van de grootste inzinking (voorloodlijn) en het achterste dwarsschot van de eerste afdeling achter het aanvaringsschot, is niet kleiner dan 10% van de lengtewaterlijn of 4 m.

De afstand tussen het aanvaringsschot en de voorloodlijn is niet kleiner dan 4% van de lengtewaterlijn en niet groter dan 4% van de lengte Lwl vermeerderd met 2 m;

f. aan het rekenkundig bewijs van voldoende stabiliteit in lekke toestand wordt geacht te zijn voldaan, wanneer wordt aangetoond dat voor alle stadia van het vervullen en voor de eindtoestand van het vervuld zijn, het oprichtende moment Ma groter is dan het kenterende moment Mk. Ma wordt berekend met de formule:

Ma = MGrest. sin Ï•.V

In deze formule betekent:

MGrest: de gereduceerde metacenterhoogte in lekke toestand in m;

Ï•: de hoek waarbij de eerste opening van de niet vervulde afdelingen water maakt of indien deze kleiner is de hoek waarbij het schottendek te water komt;

V: de waterverplaatsing in tonnen.

Mk wordt berekend met de formule;

Mk= 0,2.Mp

waarbij Mp overeenkomstig de volgende formule wordt berekend:

Mp = 0,15 b.G.

In deze formule betekent:

b: de grootste nuttige breedte van het desbetreffende dek, gemeten op een hoogte van 0,5 m;

G: het totale gewicht van het op dat dek toegestane aantal personen.

2. Bij de vaststelling van de beladingstoestanden wordt rekening gehouden met het gestelde in artikel 2.2.

3. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid wordt bij de lekberekening uitgegaan van de volgende beladingsomvang:

a. in de zijden van het schip:

1°. in de langsrichting 0,10 Lwl, echter niet minder dan 7,50 m,

2°. in de breedterichting, horizontaal gemeten op het vlak van de grootste inzinking, 1,00 m,

3°. in de hoogterichting, gerekend vanaf de basis, onbegrensd;

b. in het vlak van het schip:

1°. in de langsrichting 0,10 Lwl, echter niet minder dan 7,50 m,

2°. in de breedterichting 0,20 Bwl, echter niet minder dan 3,00 m,

3°. in de hoogterichting 0,60 m, gemeten vanaf de basis.

Onder lensputten wordt de hoogte tot 0,50 m verminderd; in dat geval bedraagt de inhoud van een lensput niet meer dan 0,05 m3.

4. Alle langs- en dwarsschotten, alsmede dekken en tankbegrenzingen die zijn gelegen binnen de in het derde lid genoemde beladingsomvang worden als lek gerekend.

5. Ongeacht de beladingsomvang, genoemd in het derde lid, voldoet het schip bovendien aan de ééncompartimentsstandaard zoals voorgeschreven in het eerste lid.

6. In afwijking van het bepaalde in artikel 2.2, worden deuren in waterdichte schotten onder het schottendek niet toegestaan. Wanneer naar het oordeel van de minister blijkt dat een deur in een waterdicht schot voor de bedrijfsvoering van het schip noodzakelijk is, kan hij voor zo’n een deur die geheel boven het vlak van de grootste inzinking is gelegen, ontheffing van dit voorschrift verlenen. De bepalingen van artikel 2.2 tweede, derde en vierde lid zijn op zulk een deur van toepassing. Bovendien is zo’n deur voorzien van een centrale sluitinrichting. In het stuurhuis is een optische signalering aanwezig door middel waarvan zichtbaar is of zulk een deur geopend dan wel gesloten en vergrendeld is.

Regeling
Binnenvaartregeling
Soort
Ministeriële regeling
Geldend vanaf
23-09-2026
BWB-id
BWBR0025958
Versie
2026-09-23_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl