wetzoeker

Artikel 12 — Voortstuwingsinstallaties Binnenvaartregeling

Voortstuwingsinstallaties

1. Het vermogen van de voortstuwingsinstallatie is zodanig, dat het volbeladen schip bij vol vermogen varende, tot stilstand kan komen in een vaarweg van ten hoogste twee maal de lengte van het schip.

2. Vanaf de stuurstand moet afgelezen kunnen worden:

a. de temperatuur van het koelwater en de druk van de smeerolie van voortstuwingsmotoren en

b. het toerental van voortstuwingsmotoren of schroefassen.

3. Indien de voortstuwingsmotor gebruik maakt van brandstof met een vlampunt beneden 55 °C:

a. wordt CNG gebruikt als brandstof; en

b. wordt de voortstuwingsmotor voorzien van brandstof door middel van een CNG-installatie.

4. Indien een rondvaartboot van het Amsterdamse grachtentype tijdens de bouw voorzien wordt van een CNG-installatie, zijn de constructietekeningen voor de aanvang van de bouw goedgekeurd door de minister.

5. Indien een rondvaartboot van het Amsterdamse grachtentype voorzien wordt van een CNG-installatie zijn de constructietekeningen van de CNG-installatie zelf en de constructietekeningen voor de inbouw daarvan, voor aanvang van de inbouw, goedgekeurd door de minister.

6. De goedkeuring, bedoeld in het vierde en vijfde lid, wordt verleend indien naar het redelijk oordeel van de minister de veiligheid van de rondvaartboot en de opvarenden, voor zover deze verband houdt met de constructie en wijze van inbouw van de CNG-installatie, voldoende gewaarborgd zal zijn.

Regeling
Binnenvaartregeling
Soort
Ministeriële regeling
Geldend vanaf
23-09-2026
BWB-id
BWBR0025958
Versie
2026-09-23_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl