wetzoeker

Artikel 2.1 Regeling voertuigen

Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, lid 3a, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaatsvindt door uitbouw van een LPG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:

a. de LPG-tank, inclusief alle aansluitingen;

b. de automatische afsluitklep;

c. het gasmengstuk of inspuitstuk, tenzij het inspuitstuk definitief is afgeplugd;

d. de gasleiding, met uitzondering van het gedeelte dat rechtstreeks vast tegen de onderzijde van het voertuig is bevestigd;

e. de verdamper/drukregelaar, al dan niet gecombineerd, met uitzondering van de uitlaatstift bij luchtgekoelde motoren; en

f. de vulaansluiting, tenzij deze definitief is afgeplugd.

Regeling
Regeling voertuigen
Soort
Ministeriële regeling
Geldend vanaf
01-07-2026
BWB-id
BWBR0025798
Versie
2026-07-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl