wetzoeker

Artikel 1.1 (deel 1) Regeling voertuigen

Bij wijziging van de brandstofsoort in LPG als bedoeld in artikel 6.3, lid 3a, van deze regeling, voldoen het brandstofsysteem en de plaatsing van het brandstofsysteem aan de in deze afdeling opgenomen eisen en worden het brandstofsysteem en de plaatsing van het brandstofsysteem beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren.

Eisen | Wijze van keuren

§ 0. Algemeen

Artikel 1.2

De in het voertuig geïnstalleerde LPG-installatie moet zodanig functioneren dat de maximale bedrijfsdruk waarvoor deze is ontworpen en goedgekeurd, niet kan worden overschreden. | Visuele controle.

Artikel 1.3

1. | De volgende LPG-onderdelen moeten voldoen aan het bepaalde in VN/ECE-reglement 67: | Visuele controle van het VN/ECE-goedkeuringsmerk.

a. de LPG-tank;

b. de 80%-vulklep voorzien van terugslagklep;

c. de niveaumeter;

d. de veerveiligheid;

e. de op afstand bediende afnamekraan met doorstroombegrenzer;

f. de gasdichte behuizing;

g. de drukregelaar en verdamper, eventueel gecombineerd;

h. de op een afstand bediende gasafsluiter;

i. de flexibele slang die wordt toegepast in een gedeelte waar de druk hoger is dan 0,2 bar;

j. de vuleenheid;

k. de terugslagklep;

l. de overdrukklep van de gasleiding;

m. de LPG-brandstofpomp;

n. de gasdoseringseenheid;

o. de gasinjector;

p. het LPG-filter, met uitzondering van het LPG-filter die in de LPG-tank wordt gemonteerd;

q. de druk- of temperatuursensor;

r. de overdrukinrichting(smeltprop);

s. de doorvoerisolator voor de voeding van de LPG-brandstofpomp of het vloeistofniveau;

t. de elektronische regeleenheid;

u. de servicekoppeling.

2. | De tankappendages, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b tot en met e, en de appendage, bedoeld in het eerste lid, onderdeel s, kunnen met elkaar zijn gecombineerd tot een multiklep. | Beoordeling vindt plaats aan de hand van de informatie vermeld op het goedkeuringscertificaat van de LPG-tank.

3. | De op afstand bediende gasafsluiter, bedoeld in het eerste lid, onderdeel h, kan zijn gecombineerd met de verdamper/drukregelaar, bedoeld in het eerste lid, onderdeel g. | Bij twijfel vindt beoordeling plaats aan de hand van de informatie vermeld op het goedkeuringscertificaat van de verdamper/drukregelaar.

4. | Indien de LPG-brandstofpomp in de LPG-tank is aangebracht, moeten het identificatiemerk van de LPG-brandstofpomp en de aanduiding ‘pump inside’ op de identificatieplaat van de LPG-tank zijn ingeslagen. | Visuele controle.

Artikel 1.4

De voor de installatie gebruikte materialen moeten geschikt zijn voor LPG. | Visuele controle.

Artikel 1.5

Alle onderdelen van het systeem moeten op de juiste wijze worden vastgezet. | Visuele controle, zo nodig terwijl het motorvoertuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.

Artikel 1.6

De LPG-installatie mag geen lekkage vertonen. | Visuele of auditieve controle, zo nodig terwijl het motorvoertuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, met behulp van een middel dat lekkage aantoonbaar maakt, waarbij het contact moet zijn ingeschakeld.

Artikel 1.7

De LPG-installatie moet zodanig worden geplaatst dat de best mogelijke bescherming wordt geboden tegen schade, zoals schade door bewegende voertuigonderdelen, botsingen, steenslag of als gevolg van het laden of lossen van het voertuig of het verschuiven van de lading. | Visuele controle, zo nodig terwijl het motorvoertuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.

Artikel 1.8

Alle LPG-onderdelen vermeld in artikel 1.3, eerste lid, moeten zodanig zijn aangebracht dat ze controleerbaar zijn en dat de identificatiemerken leesbaar zijn, met uitzondering van de controle van de LPG-brandstofpomp indien deze in de LPG-tank is aangebracht. In dit geval moeten het identificatiemerk van de LPG-brandstofpomp en de aanduiding ‘pump inside’ op de identificatieplaat van de LPG-tank zijn ingeslagen. | Visuele controle, zo nodig terwijl het motorvoertuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.

Artikel 1.9

1. | Er mogen geen andere apparaten op de LPG-installatie worden aangesloten dan strikt noodzakelijk voor het goed functioneren van de motor van het voertuig. | Lid 1 en 2: visuele controle.

2. | In afwijking van het eerste lid, mogen voertuigen met de voertuigclassificatie M1 met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, M2, M3, N2 of N3 worden uitgerust met een verwarmingssysteem voor de passagiersruimte dat is aangesloten op de LPG-installatie.

3. | Het verwarmingssysteem, bedoeld in het tweede lid, is toegestaan, indien dit verwarmingssysteem volgens de Dienst Wegverkeer voldoende is beschermd en de voorgeschreven werking van de normale LPG-installatie niet wordt beïnvloed. | Controle van de bijgevoegde verklaring.

4. | In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, mag een voertuig dat is voorzien van een motor die uitsluitend gevoed wordt door LPG worden uitgerust met een servicekoppeling in de LPG-installatie. | Lid 4 en 5: visuele controle.

5. | De servicekoppeling moet voldoen aan de volgende voorwaarden:

a. de elektronische controle-eenheid van het motorvoertuig mag geen instelling hebben voor het functioneren van de motor in noodsituaties;

b. de servicekoppeling moet adequaat zijn beschermd;

c. de normale werking van het oorspronkelijke LPG-systeem mag niet worden aangetast, en

d. de servicekoppeling moet gecombineerd zijn met een separate gasbestendige terugslagklep waardoor uitsluitend de motor wordt gevoed.

6. | In de nabijheid van de servicekoppeling moet het volgende herkenningsteken zijn aangebracht. Model herkenningsteken aanwezigheid service aansluiting: | Visuele controle, bij twijfel meten met een geschikt meetmiddel.

Het herkenningsteken moet bestaan uit een weerbestendige sticker. De tekst ‘FOR SERVICE PURPOSES ONLY’ moet gecentreerd staan in het midden van de sticker. De kleur en afmetingen moeten zijn:

Kleur:

achtergrond: | rood

letters: | wit

Afmetingen:

hoogte letters: | ten minste 5 mm

dikte letters: | ten minste 1 mm

Breedte sticker: | 70–90 mm

Hoogte sticker: | 20–30mm

§ 1. Herkenning van voertuigen met de voertuigclassificatie M2 of M3 voorzien van een LPG-installatie

Artikel 1.10

1. | Voertuigen met de voertuigclassificatie M2 of M3 die zijn voorzien van een LPG-installatie, moeten zijn voorzien van het volgende herkenningsteken: | Visuele controle, bij twijfel meten met een geschikt meetmiddel.

Het herkenningsteken moet bestaan uit een sticker die weerbestendig is en de hierboven aangegeven parallelvormen weergeeft.

De aanduiding ‘LPG’ moet onuitwisbaar en duidelijk leesbaar in het midden van de sticker zijn aangebracht.

De kleur en afmetingen moeten zijn:

Kleur

achtergrond: | groen

rand: | wit, dan wel wit retroreflecterend

letters: | wit, dan wel wit retroreflecterend

Afmetingen

breedte rand: | 4–6 mm

hoogte letters: | ten minste 25 mm

dikte letters: | ten minste 4 mm

breedte sticker: | 110–150 mm

hoogte sticker: | 80–110 mm

2. | Het herkenningsteken moet aan de voorzijde, achterzijde en op de buitenzijde van minimaal één deur bevestigd zijn. | Visuele controle.

§ 2. Overige voorschriften

Artikel 1.11

Er mogen geen onderdelen van de LPG-installatie, waaronder beschermende materialen die deel uitmaken van dergelijke onderdelen, uitsteken buiten de omtrek van het voertuig, met uitzondering van de vuleenheid indien deze niet verder uitsteekt dan 10 mm buiten de nominale omtrek van de carrosseriepanelen. | Visuele controle, bij twijfel meten met een geschikt meetmiddel.

Artikel 1.12

Regeling
Regeling voertuigen
Soort
Ministeriële regeling
Geldend vanaf
01-07-2026
BWB-id
BWBR0025798
Versie
2026-07-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl