Artikel 3.3 — Afmetingen uitgangen Regeling voertuigen
Afmetingen uitgangen
1. Een bedrijfsuitgang moet een opening hebben van:
a. ten minste 0,55 m breed, en
b. ten minste 1,40 m hoog.
De beide bovenhoeken van de bedrijfsuitgang mogen tot 7,5 cm vanaf de zijden onder een hoek van 30° zijn afgeschuind (zie figuur 2).
2. In afwijking van het eerste lid, mag de breedte tot op een hoogte van 0,70 m gemeten vanaf de onderzijde van de bedrijfsuitgang zijn verminderd tot 0,40 m dan wel tot op een hoogte van 0,40 cm gemeten vanaf de onderzijde van de bedrijfsuitgang tot 0,30 m.
3. In afwijking van het eerste lid, mag de hoogte 1,20 m zijn, mits de in het eerste en tweede lid vermelde breedten met 0,15 m worden vermeerderd.
4. Een bedrijfsuitgang die uitsluitend toegang geeft tot aan deze uitgang grenzende zitplaatsen moet, indien niet aan het eerste lid wordt voldaan, een opening hebben van 0,3 m2, waarin een rechthoek kan worden beschreven met een hoogte van 0,60 m en een breedte van 0,40 m, gemeten boven de zitting van de zitplaats, en een vrije doorgang bieden van 0,23 m, gemeten voor de zitting van de zitplaats (zie figuur 3).
5. Een zitplaats wordt geacht aan een bedrijfsuitgang als bedoeld in het vierde lid te grenzen, indien de afstand tussen de tot de zitplaats behorende zitting en de uitgang niet meer dan 0,40 m bedraagt.
6. In afwijking van het eerste lid, moet een bedrijfsuitgang, bedoeld om een persoon in een rolstoel het voertuig in of uit te rijden, een opening hebben van:
a. ten minste 0,68 m breed tot op een hoogte van 0,60 m gemeten vanaf de onderzijde van de bedrijfsuitgang en van 0,50 m breed gemeten vanaf een hoogte van 0,60 m, en
b. ten minste 1,40 m hoog (zie figuur 4).
7. In afwijking van het eerste lid, moet een bedrijfsuitgang, bedoeld om een persoon liggend op een draagbaar het voertuig in of uit te brengen, een opening hebben waarbij een figuur bestaande uit een draagbaar met een daarop geplaatst blok met de volgende afmetingen past:
a. ten minste 0,55 m breed, en
b. ten minste 0,50 m hoog.
8. Een nooduitgang moet een opening van ten minste 0,3 m2 hebben waarin een vierkant kan worden beschreven met zijden van 0,48 m.
9. Een nooduitgang waarvan de vorm en afmetingen overeenkomen met een in het voertuig aanwezige bedrijfsuitgang, wordt geacht te voldoen aan het achtste lid.
- Regeling
- Regeling voertuigen
- Soort
- Ministeriële regeling
- Geldend vanaf
- 01-07-2026
- BWB-id
- BWBR0025798
- Versie
- 2026-07-01_0