wetzoeker

Artikel 44 — Roetmeting Regeling voertuigen

Roetmeting

1. Van personenauto’s, bedrijfsauto’s en bussen voorzien van een verbrandingsmotor met compressieontsteking, mag de hoeveelheid roet, uitgedrukt in de absorptiecoëfficiënt (k-waarde) van de uitlaatgassen, de volgende waarden niet overschrijden:

a. 3,0 m-1 voor een motor met drukvulling, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 1979 doch vóór 1 juli 2008;

b. 2,5 m-1 voor een motor met natuurlijke aanzuiging, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 1979 doch vóór 1 juli 2008;

c. 1,5 m-1 voor een motor met drukvulling of natuurlijke aanzuiging, indien het voertuig in gebruik is genomen na 30 juni 2008 doch vóór 1 januari 2018;

d. 0,7 m-1 voor een motor met drukvulling of natuurlijke aanzuiging, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2017.

Wanneer in het kentekenregister een hogere absorptiecoëfficiënt staat vermeld dan die bedoeld in de aanhef en onderdelen a tot en met d, mag deze hogere waarde worden aangehouden.

2. Om de maximumhoeveelheid roet, bedoeld in het eerste lid, te bepalen, worden de volgende in de roetmeter in te voeren meetwaarden gehanteerd:

a. het stationaire toerental. Het betreft het werkelijke stationaire toerental, waarbij ten behoeve van het invoeren in de roetmeter wordt aangehouden een:

1°. minimumtoerental van 400 min-1;

2°. maximumtoerental van 1.000 min-1;

b. het afregeltoerental. Het afregeltoerental wordt geschat. Voor het in te voeren minimum- en maximumtoerental wordt een ruime marge aangehouden, zodat het geschatte afregeltoerental binnen die waarden valt; en

c. een minimum motorolietemperatuur van 60 °C.

3. De roetmeting blijft achterwege, indien de personenauto, de bedrijfsauto of de bus is uitgerust met een comprex-lader of indien het een seriehybride elektrisch voertuig betreft.

4. Indien een personenauto, bedrijfsauto of bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg is uitgerust met een volautomatische versnellingsbak:

a. wordt de motorolie op temperatuur gebracht door stationair draaien van de motor of door middel van een rit, en

b. vinden per test niet meer dan zes metingen plaats.

5. De motorolietemperatuur moet de minimum waarde hebben bereikt. Indien het technisch niet mogelijk is de olietemperatuur te meten, waardoor de roetmeter aangeeft dat de olietemperatuur te laag is, mag de meting worden uitgevoerd met uitgeschakelde beveiliging. Indien de temperatuuropnemer niet in de motor is ingebracht, omdat duidelijk is dat de motorolie op de vereiste temperatuur is, mag eveneens met uitgeschakelde beveiliging worden gemeten.

6. Het stationaire toerental dient binnen de in de roetmeter ingebrachte waarden te vallen. Indien dit niet het geval is, moet het stationaire toerental van de motor worden bijgesteld tot een waarde, die ligt tussen de ingebrachte waarden. Hierna kan verder worden gegaan met de meting. Is bijstellen niet mogelijk of wenselijk dan moet worden gestopt met de meting en kan het voertuig niet worden goedgekeurd.

7. Het afregeltoerental dient binnen de in de roetmeter ingebrachte waarden te vallen. Indien dit niet het geval is, dan moet het afregeltoerental in de roetmeter worden gewijzigd, zodat het afregeltoerental van de motor binnen de ingebrachte waarden valt.

8. Indien tijdens de keuring blijkt dat de brandstofpomp zodanig is afgesteld dat de maximumsnelheid van het voertuig lager is dan 60 km/h, wordt het voertuig alsnog afgekeurd. De brandstofpomp dient in dergelijk geval opnieuw te worden afgesteld, waarna de roetmeting opnieuw moet worden uitgevoerd.

9. De meetprocedure mag worden afgebroken, indien de roetmeter aangeeft, dat de absorptiecoëfficiënt van de eerste of tweede meting kleiner of gelijk is dan de maximale absorptiecoëfficiënt minus 0,5 m–1 , waarbij is voldaan aan het tweede tot en met het vierde lid.

10. Indien de absorptiecoëfficiënt aan de hand van de roetmeetstrook moet worden bepaald omdat de absorptiecoëfficiënt van de eerste en tweede meting niet kleiner of gelijk is dan de maximale absorptiecoëfficiënt minus 0,5 m–1, dan mogen de verschillen van de afregeltoerentallen van de metingen waarmee de gemiddelde absorptiecoëfficiënt wordt bepaald, niet meer dan 10% bedragen van het hoogste afregeltoerental. Het onderling verschil in absorptiecoëfficiënt (de bandbreedte) tussen drie opeenvolgende testen mag niet groter zijn dan:

a. 0,5 m–1 als de berekende k-waarde kleiner of gelijk is aan 2,5 m–1, en

b. 0,7 m–1 als de berekende k-waarde groter is dan 2,5 m–1.

Regeling
Regeling voertuigen
Soort
Ministeriële regeling
Geldend vanaf
01-07-2026
BWB-id
BWBR0025798
Versie
2026-07-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl