wetzoeker

Artikel 42 — Koolmonoxidegehalte en lambdawaarde bij verhoogd toerental Regeling voertuigen

Koolmonoxidegehalte en lambdawaarde bij verhoogd toerental

1. Personenauto’s, bedrijfsauto’s en bussen uitgerust met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking die zijn voorzien van een emissiebeheersingssysteem, moeten om de goede werking van dit systeem te controleren voldoen aan de onderstaande eisen. Het koolmonoxidegehalte en de lambdawaarde mogen bij verhoogd toerental en met een motor op bedrijfstemperatuur de onderstaande waarden niet overschrijden:

a. 0.3% vol. koolmonoxide, indien:

1°. het een personenauto betreft die in gebruik is genomen na 31 december 1992, maar voor 1 juli 2002, waarbij de lambdawaarde moet liggen tussen 0.97 en 1.03;

2°. het een bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg betreft die in gebruik is genomen na 31 december 1994, maar voor 1 juli 2002, waarbij de lambdawaarde moet liggen tussen 0.97 en 1.03;

b. 0.2% vol. koolmonoxide, indien het voertuig in gebruik is genomen na 30 juni 2002, waarbij de lambdawaarde moet liggen tussen 0.97 en 1.03.

2. De in het eerste lid, onder a en b, vermelde waarden worden bepaald bij een verhoogd toerental gelegen tussen de 2.000 omw/min. en 3.200 omw/min. Hierbij mogen alle elektrische stroomverbruikers zijn ingeschakeld.

3. Indien het voertuig is voorzien van een rotatiemotor, kan de controle op de werking van het emissiebeheersingssysteem achterwege blijven.

4. Indien het voertuig is voorzien van een LPG-installatie, moet de meting bij verhoogd toerental worden uitgevoerd, indien:

a. het een personenauto betreft die in gebruik is genomen na 31 december 1997;

b. het een bedrijfsauto of een bus betreft met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg die in gebruik is genomen na 31 december 1997.

5. Bij het vaststellen van het koolmonoxidegehalte bij verhoogd toerental mag het tweede cijfer achter de komma buiten beschouwing worden gelaten. Bij het vaststellen van de lambdawaarde mag het derde cijfer achter de komma buiten beschouwing worden gelaten.

6. Het eerste tot en met vijfde lid zijn niet van toepassing:

a. op voertuigen die voorkomen op onderstaande lijst met voertuigspecifieke gegevens; of

b. indien dit door middel van documentatie van de voertuigfabrikant wordt aangetoond.

Voor de voertuigen, bedoeld onder a en b, gelden de in deze lijst opgenomen eisen onderscheidenlijk de in die documentatie vermelde eisen. De lijst is niet van toepassing op motorvoertuigen voorzien van een LPG-installatie.

7. Het eerste tot en met zesde lid zijn niet van toepassing op seriehybride elektrische voertuigen.

Regeling
Regeling voertuigen
Soort
Ministeriële regeling
Geldend vanaf
01-07-2026
BWB-id
BWBR0025798
Versie
2026-07-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl