Artikel 1 (deel 1) Regeling voertuigen
1. Voor de vaststelling van afmetingen van voertuigen of samenstel van voertuigen wordt verstaan onder:
a. as: horizontale lijn die loodrecht staat op het middenlangsvlak van het voertuig en gaat door het midden van één of meer wielen wanneer deze zich in de stand van rechtuitrijden bevinden;
b. lengte van een voertuig of samenstel van voertuigen: horizontale afstand tussen twee verticale vlakken die loodrecht staan op het middenlangsvlak van het voertuig of het samenstel van voertuigen en gaan door de uiterste voor- en achterzijde van het voertuig of het samenstel, gemeten in de stand van rechtuitrijden op een horizontaal wegdek; de spiegels en de bevestigingsdelen daarvan worden buiten beschouwing gelaten; een zonneklep die niet meer dan 0,20 m voor het voorste verticale vlak, zoals is bepaald bij een niet gemonteerde zonneklep, uitsteekt en die met eenvoudige middelen afneembaar is, wordt buiten beschouwing gelaten;
c. breedte van een voertuig: horizontale afstand tussen twee verticale vlakken die evenwijdig lopen aan het middenlangsvlak van het voertuig en gaan door de uiterste linker- en rechterzijde van het voertuig, gemeten in de stand van rechtuitrijden op een horizontaal wegdek; de spiegels en de bevestigingsdelen daarvan worden buiten beschouwing gelaten;
d. hoogte van een voertuig: verticale afstand tussen het wegdek en een horizontaal vlak dat gaat door het hoogst gelegen deel van het voertuig, gemeten op een horizontaal wegdek in de rijstand.
2. Onverminderd de in onderstaande tabellen I, II en III opgenomen aanvullende beperkingen, behoeven de in deze tabellen vermelde voorzieningen en uitrusting niet voor de bepaling van de buitenste afmetingen in aanmerking te worden genomen, indien aan de volgende voorschriften wordt voldaan:
a. wanneer aan de voorzijde meerdere voorzieningen zijn gemonteerd, mogen deze in totaal niet meer dan 25 cm uitsteken;
b. voorzieningen en apparatuur die in de lengterichting aan het voertuig worden toegevoegd, mogen in totaal niet meer dan 75 cm uitsteken;
c. met uitzondering van achteruitkijkspiegels, mogen voorzieningen en apparatuur die in de breedterichting aan het voertuig worden toegevoegd in totaal niet meer dan 10 cm uitsteken.
3. De voorschriften van het tweede lid, onderdelen a en b, zijn niet van toepassing op voorzieningen voor indirect zicht.
Tabel I. Voertuiglengte
Personenauto’s | Bussen | Bedrijfsauto’s met een technisch toegestane maximummassa van ten hoogste 3.500 kg | Bedrijfsauto’s met een technisch toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg | Aanhangwagens met een technisch toegestane maximummassa van ten hoogste 750 kg | Aanhangwagens met een technisch toegestane maximum-massa van meer dan 750 kg | Landbouw- of bosbouwtrekkers | Motorrijtuigen met beperkte snelheid of mobiele machines | Landbouw- of bosbouw aanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken
1. | Voorzieningen voor indirect zicht en het waarnemen van de ruimte achter het voertuig | x | x | x | x | x | x | x | x | x
2. | Wis- en sproeivoorzieningen | x | x | x | x | | | x | x
3. | Zonnekleppen aan buitenzijde | | | | x | | | x | x
4. | Frontbeschermingsinrichtingen | x | | x
5. | Voetsteunen en handgrepen | | x | x | x | x | x | x | x | x
6. | Mechanische koppelingen | x | x | x | x | | | x | x
7. | Extra koppelingen | | | | | x | x | x | x | x
8. | Fietsenrekken (verwijder- of opklapbaar) | x | | x
9. | Oprijplaten, hefplatforms en soortgelijke uitrustingen, voor zover het laadvermogen niet wordt vergroot en deze uitrustingen niet meer dan 0,30 m uitsteken | x | x | x | x | x | x | x | x | x
10. | Observatie- en detectiemiddelen, inclusief radars | | x | | x | x | x | x | x | x
11. | Veerkrachtige buffers en vergelijkbare uitrustingen | | | x | x | x | x | x | x | x
12. | Voorzieningen voor douaneverzegeling en de afscherming ervan | | | x | x | x | x | x | x | x
13. | Voorzieningen voor bevestiging van dekzeil en de afscherming ervan | | | x | x | x | x | x | x | x
14. | Langsaanslagen voor afneembare carrosserieën | | | x | x | x | x | x | x | x
15. | Trolleystangen en stroomafnemers van elektrisch aangedreven voertuigen | | alleen bussen met een technisch toegestane maximum-massa van meer dan 5.000 kg | x | x | | x | x | x | x
16. | Voor- en achterkentekenplaten | | x | x | x | x | x | x | x | x
17. | Verlichtingsuitrustingen | x | x | x | x | x | x | x | x | x
18. | Aerodynamische voorzieningen en uitrusting | | x | | x | | alleen aanhang-wagens met een technisch toegestane maximum-massa van meer dan 3.500 kg
19. | Luchtinlaatpijpen | | | x | x | | x | x | x
20. | Antennes die worden gebruikt voor communicatie tussen voertuigen onderling of tussen voertuigen en infrastructuur | x | x | x | x | x | x | x | x | x
Tabel II. Voertuigbreedte
Personenauto’s | Bussen | Bedrijfsauto’s met een technisch toegestane maximummassa van ten hoogste 3.500 kg | Bedrijfsauto’s met een technisch toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg | Aanhangwagens met een technisch toegestane maximummassa van ten hoogste 750 kg | Aanhang-wagens met een technisch toegestane maximummassa van meer dan 750 kg | Landbouw- of bosbouwtrekkers | Motorrijtuigen met beperkte snelheid of mobiele machines | Landbouw- of bosbouw aanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken
1. | Voorzieningen voor indirect zicht | x | x | x | x | x | x | x | x | x
2. | Bollingen van de zijwanden van de banden op de contactpunten met het wegdek | x | x | x | x | x | x | x | x | x
3. | Verklikkers voor lekke banden | | alleen bussen met een technisch toegestane maximum-massa van meer dan 5.000 kg | x | x | x | x | x | x | x
4. | Bandenspanningsmeters | | alleen bussen met een technisch toegestane maximum-massa van meer dan 5.000 kg | x | x | x | x | x | x | x
5. | Verlichtingsuitrustingen | x | x | x | x | x | x | x | x | x
6. | Oprijplaten, hefplatforms en soortgelijke uitrusting, indien deze zijn ingeschoven en niet meer dan 0,10 m buiten de zijkant van het voertuig uitsteken, en de hoeken van de naar voren of naar achteren gerichte oprijplaten zijn afgerond met een straal van ten minste 5,00 mm; de randen moeten zijn afgerond tot een straal van ten minste 2,50 mm | | x | | x | x | x | x | x | x
7. | Intrekbare zijdelingse geleidingsvoorzieningen bestemd voor gebruik op geleide bussystemen, indien deze niet zijn ingetrokken, en intrekbare treden, indien deze zijn uitgeschoven en het voertuig stilstaat | | alleen bussen met een technisch toegestane maximum-massa van meer dan 5.000 kg
8. | Observatie- en detectiemiddelen, inclusief radars | | x | | x | x | x | x | x | x
9. | Aerodynamische voorzieningen en uitrusting. De voertuigbreedte, met inbegrip van de geconditioneerde carrosserie met geïsoleerde wanden en van de gemeten uitstekende delen, mag niet meer dan 2.600 mm bedragen, zowel met de voorzieningen en uitrusting in de ingetrokken of ingeklapte stand als in de gebruiksstand | | | x | x | x | x | x | x | x
10. | Voorzieningen voor douaneverzegeling en de afscherming ervan | | | x | x | x | x | x | x | x
11. | Voorzieningen voor bevestiging van dekzeil en de afscherming daarvan. Voor voertuigen die in gebruik zijn genomen na 30 april 2020 geldt dat deze voorzieningen niet mee worden genomen bij de bepaling van de breedte indien zij niet meer dan 20 mm uitsteken indien zij zich op ten hoogste 2 m van de grond bevinden, en niet meer dan 50 mm uitsteken indien zich zij meer dan 2 m van de grond bevinden. De randen moeten met een straal van ten minste 2,5 mm zijn afgerond. | | | x | x | x | x | x | x | x
12. | Uitstekende flexibele delen van opspatafschermingssystemen, flexibele spatborden en spatlappen | | x | x | x | x | x | x | x | x
14. | Sneeuwkettingen | x | x | x | x | x | x | x | x | x
- Regeling
- Regeling voertuigen
- Soort
- Ministeriële regeling
- Geldend vanaf
- 01-07-2026
- BWB-id
- BWBR0025798
- Versie
- 2026-07-01_0