wetzoeker

Artikel 5.4.55 Regeling voertuigen

Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

Eisen | Wijze van Keuren

1. | De in de artikelen 5.4.51 en 5.4.52 bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen, mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk verlichte oppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan.

2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Leden 2 tot en met 4: visuele controle.

3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd.

4. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed.

5. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. De op een motorfiets zonder zijspanwagen gemonteerde lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie, moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.

6. | De in de artikelen 5.4.51 en 5.4.52 bedoelde lichten en retroreflectoren, voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Leden 6 tot en met 8: visuele controle.

7. | De retroreflector mag geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloed.

8. | Remlichten van motorfietsen moeten werken bij bediening van de achterwielrem of de voorwielrem.

Regeling
Regeling voertuigen
Soort
Ministeriële regeling
Geldend vanaf
01-07-2026
BWB-id
BWBR0025798
Versie
2026-07-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl