wetzoeker

Besluit participatiebudget

Besluit van 29 december 2008, houdende regels ter uitvoering van de Wet participatiebudget (Besluit participatiebudget)

Soort
AMvB
Geldend vanaf
01-01-2015
Rechtsgebied
Onderwijsrecht
Ministerie
Sociale Zaken en Werkgelegenheid
BWB-id
BWBR0025044
Versie
2015-01-01_0
SHA-256 bron
1abb83cfae73b0227c4275fe6b469b419966d40171a2c17305473823bb633d03

Officiële tekst op wetten.overheid.nl

Inhoud (31)
  1. Artikel 1
  2. Artikel 2
  3. Artikel 3
  4. Artikel 4
  5. Artikel 5
  6. Artikel 6
  7. Artikel 7
  8. Artikel 8
  9. Artikel 9
  10. Artikel 10
  11. Artikel 10a
  12. Artikel 11
  13. Artikel 11a
  14. Artikel 11b
  15. Artikel 11c
  16. Artikel 12
  17. Artikel 13
  18. Artikel 14
  19. Artikel 15
  20. Artikel 16
  21. Artikel 17
  22. Artikel 18
  23. Artikel 19
  24. Bijlage 1 — behorende bij artikel 2 van het Besluit participatiebudget
  25. Verdeelmodel
  26. A — Verdeelmaatstaven
  27. Berekeningswijze voor gemeenten met minder dan 30.000 inwoners
  28. Overgang van historische kosten naar verdeelmodel
  29. Toedeling declaratiedeel WIW-dienstbetrekkingen:
  30. Toedeling declaratiedeel WIW-werkervaringsplaatsen:
  31. Bijlage 2 — behorende bij de artikelen 4 en 5 van het Besluit participatiebudget

Hoofdstuk 1 — Algemene bepalingen

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

duale inburgeringsvoorziening: inburgeringsvoorziening die met het oog op de actieve deelname aan de Nederlandse samenleving mede voorziet in activiteiten die in samenhang en ten minste voor een deel gelijktijdig met het verwerven van mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal en kennis van de Nederlandse samenleving worden uitgevoerd;

participatiebudget: uitkering aan het college, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de wet;

wet: Wet participatiebudget.

Hoofdstuk 2 — Verdeelsleutels › Paragraaf 1 — Verdeelsleutel Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Artikel 2

1 Het deel van het participatiebudget dat een college ontvangt uit het totale bedrag dat beschikbaar is gesteld door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor een participatiebudget voor alle colleges wordt berekend op grond van de formule:

(a × (OW / OTW) + (1–a) × (KW / TKW)) × TBW

waarbij:

a. a het aandeel van het totale bedrag is dat beschikbaar is gesteld door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor een participatiebudget voor alle colleges dat objectief wordt verdeeld, zoals opgenomen in bijlage 1 van dit besluit;

b. OW het aan de hand van het verdeelmodel, dat is opgenomen in bijlage 1 van dit besluit, bepaalde gewicht van de gemeente is;

c. OTW het totaal is van de aan de hand van het verdeelmodel, dat is opgenomen in bijlage 1 van dit besluit, bepaalde gewichten van alle gemeenten samen;

d. KW de uitkering, bedoeld in artikel 69, eerst lid, onderdeel a, van de Wet werk en bijstand, zoals die luidde op 31 december 2008, voor het kalenderjaar 2003 is;

e. TKW het totaal is van de uitkeringen, bedoeld in artikel 69, eerste lid, onderdeel a, van de Wet werk en bijstand, zoals die luidde op 31 december 2008, voor het kalenderjaar 2003 voor alle gemeenten samen;

f. TBW het bedrag is dat beschikbaar is gesteld door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor een participatiebudget voor alle colleges voor het desbetreffende kalenderjaar.

2 Indien het aan de hand van het verdeelmodel, dat is opgenomen in bijlage 1 van dit besluit, bepaalde gewicht van de gemeente negatief is, wordt dat voor de toepassing van het eerste lid, onderdelen b en c, op nihil gesteld.

3 Jaarlijks worden bij ministeriële regeling voor de verdeelmaatstaven in bijlage 1 bij dit besluit de peiljaren en de gewichten vastgesteld.

4 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de toepassing van dit artikel en van het verdeelmodel, dat is opgenomen in bijlage 1 bij dit besluit, ter voorkoming van onvoorziene en ongewenste verdeeleffecten.

Hoofdstuk 2 — Verdeelsleutels › Paragraaf 2 — Verdeelsleutel Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

Artikel 3

Vervallen

Hoofdstuk 2 — Verdeelsleutels › Paragraaf 2 — Verdeelsleutel Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

Artikel 4

Vervallen

Hoofdstuk 2 — Verdeelsleutels › Paragraaf 2 — Verdeelsleutel Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

Artikel 5

Vervallen

Hoofdstuk 2 — Verdeelsleutels › Paragraaf 2 — Verdeelsleutel Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

Artikel 6

Vervallen

Hoofdstuk 2 — Verdeelsleutels › Paragraaf 3 — Verdeelsleutel Minister voor Wonen, Wijken en Integratie

Artikel 7

Vervallen

Hoofdstuk 2 — Verdeelsleutels › Paragraaf 3 — Verdeelsleutel Minister voor Wonen, Wijken en Integratie

Artikel 8

Vervallen

Hoofdstuk 2 — Verdeelsleutels › Paragraaf 3 — Verdeelsleutel Minister voor Wonen, Wijken en Integratie

Artikel 9

Vervallen

Hoofdstuk 2 — Verdeelsleutels › Paragraaf 3 — Verdeelsleutel Minister voor Wonen, Wijken en Integratie

Artikel 10

Vervallen

Hoofdstuk 2 — Verdeelsleutels › Paragraaf 3a — Gemeenschappelijke regelingen

Artikel 10a

Vervallen

Hoofdstuk 2 — Verdeelsleutels › Paragraaf 4 — Gemeentelijke herindeling

Artikel 11

Bij een wijziging van de gemeentelijke indeling of een grenscorrectie als bedoeld in de Wet algemene regels herindeling worden de gegevens waarmee de berekeningen op grond van dit hoofdstuk worden uitgevoerd, vastgesteld op basis van een redelijke schatting van de toestand van die gegevens zoals die zou zijn geweest als de wijziging op de datum waarop die gegevens betrekking hebben reeds was ingegaan.

Hoofdstuk 2a — Bevordering participatie inactieven 2009–2011

Artikel 11a

Vervallen

Hoofdstuk 2a — Bevordering participatie inactieven 2009–2011

Artikel 11b

Vervallen

Hoofdstuk 2a — Bevordering participatie inactieven 2009–2011

Artikel 11c

Vervallen

Hoofdstuk 3 — Overige bepalingen

Artikel 12

1 Indien in een kalenderjaar het participatiebudget niet volledig is besteed aan participatievoorzieningen, kan het college het niet bestede bedrag tot maximaal 25% van het voor dat jaar toegekende participatiebudget reserveren voor besteding aan participatievoorzieningen in het daaropvolgende kalenderjaar.

2 Indien in een kalenderjaar meer dan het participatiebudget is besteed aan participatievoorzieningen, kan het college het meer bestede bedrag tot maximaal 25% van het voor dat jaar toegekende participatiebudget ten laste brengen van het participatiebudget voor het daaropvolgende kalenderjaar.

3 Voor het jaar 2009 bedragen de in het eerste en tweede lid genoemde percentages voor een college als bedoeld in artikel 13 van de wet 31,25.

Hoofdstuk 3 — Overige bepalingen

Artikel 13

Iedere maand wordt op of omstreeks de vijftiende dag van die maand een twaalfde deel van het voor dat kalenderjaar vastgestelde participatiebudget betaald.

Hoofdstuk 4 — Wijziging van andere besluiten

Artikel 14

Wijzigt het Besluit WWB 2007.

Hoofdstuk 4 — Wijziging van andere besluiten

Artikel 15

Wijzigt het Uitvoeringsbesluit WEB.

Hoofdstuk 4 — Wijziging van andere besluiten

Artikel 16

Wijzigt het Besluit brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid.

Hoofdstuk 4 — Wijziging van andere besluiten

Artikel 17

Wijzigt het Besluit inburgering.

Hoofdstuk 5 — Slotbepalingen

Artikel 18

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2009.

Hoofdstuk 5 — Slotbepalingen

Artikel 19

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit participatiebudget.

Bijlage 1 — behorende bij artikel 2 van het Besluit participatiebudget

Bijlage 1 — behorende bij artikel 2 van het Besluit participatiebudget

Verdeling van het bedrag dat beschikbaar is gesteld door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor een participatiebudget voor alle colleges

Bijlage 1 — behorende bij artikel 2 van het Besluit participatiebudget › Verdeelmodel

Verdeelmodel

De verdeling van het bedrag voor een participatiebudget voor alle colleges dat wordt ingebracht door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) bestaat uit een aantal stappen. De belangrijkste stap wordt gevormd door het model waarmee voor gemeenten het gewicht Ow (zie artikel 2) wordt bepaald op basis waarvan een steeds groter deel van de beschikbare bijdrage van Onze Minister van SZW aan het participatiebudget naar rato over de gemeenten wordt verdeeld.

De gewichten worden bepaald op basis van vier verdeelmaatstaven die elk een eigen parameter hebben. Verdeelmaatstaven en parameters zijn zodanig bepaald dat zij in grote mate aansluiten bij de behoefte aan re-integratiemiddelen.

Bijlage 1 — behorende bij artikel 2 van het Besluit participatiebudget › A — Verdeelmaatstaven

A — Verdeelmaatstaven

Het schema geeft de verdeelmaatstaven weer en de bron waaraan deze worden ontleend.

Verdeelmaatstaf | Bron

1. | Aantal bijstandsontvangers | CBS

2. | Aantal WW-ontvangers | CBS

3. | Omvang beroepsbevolking | CBS

4. | Kwalitatieve discrepantie laaggeschoolde arbeid | CBS

Definitie verdeelmaatstaven:

Aantal bijstandsontvangers: aantal huishoudens dat in het peiljaar op enig moment een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) ontvangt en jonger is dan 65 jaar of een uitkering of inkomensvoorziening ontvangt op grond van de Wet investeren in jongeren (WIJ), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) of het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004). Eén huishouden telt hooguit één keer mee. Huishoudens die in de loop van het meetjaar een tussentijdse onderbreking van de WWB-uitkering hebben zijn dus één huishouden.

Aantal WW-ontvangers: het aantal personen dat in het peiljaar op enig moment een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ontvangt. Ook nu weer geldt: een persoon telt hooguit één keer mee. Personen die in de loop van het meetjaar zowel een WW-uitkering als een WWB-uitkering hebben ontvangen, worden gerekend tot de groep bijstandsontvangers, en zijn dus uitgesloten van de categorie WW-uitkeringen. Personen die in de loop van het meetjaar verhuizen van gemeente A naar gemeente B en in beide gemeenten een WW-uitkering hebben ontvangen, tellen mee naar rato van het aantal maanden dat de persoon als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen was ingeschreven. Personen die niet als ingezetene zijn ingeschreven in de basisregistratie personen tellen niet mee.

Omvang beroepsbevolking: alle personen tussen 15 en 65 jaar die meer dan 12 uur per week werken of willen werken. Bij deze variabele wordt gerekend met een driejaarsgemiddelde.

Kwalitatieve discrepantie laaggeschoolde arbeid: de omvang van de laaggeschoolde beroepsbevolking minus de omvang van de laaggeschoolde werkzame beroepsbevolking. Bij deze variabele wordt gerekend met een driejaarsgemiddelde.

De maatstaven zijn alle afkomstig van bestanden, die bij het Centraal bureau voor de statistiek (CBS) in beheer zijn. De verdeelkenmerken aantal WW- en bijstandsontvangers worden door het CBS berekend. De verdeelkenmerken omvang beroepsbevolking en kwalitatieve discrepantie laaggeschoolde arbeid zijn afkomstig uit de Enquête beroepsbevolking (EBB), en worden door het CBS voor gemeenten met meer dan 10.000 inwoners op Statline gepubliceerd. Voor gemeenten met minder dan 10.000 inwoners levert het CBS de betreffende gegevens aan SZW.

Bijlage 1 — behorende bij artikel 2 van het Besluit participatiebudget › B — Gewichten › Berekeningswijze voor gemeenten met minder dan 30.000 inwoners

Berekeningswijze voor gemeenten met minder dan 30.000 inwoners

Omdat er bij kleine gemeenten forse uitschieters kunnen optreden, wordt voor gemeenten met minder dan 30.000 inwoners het gewicht mede bepaald op basis van de gewichten van gemeenten in het COROP-gebied (de indeling in COROP-gebieden is aan het begin van de jaren zeventig opgesteld door de toenmalige Coördinatiecommissie Regionaal Onderzoeks Programma voor de beschikbaarstelling van statistische gegevens ten behoeve van het regionaal economisch beleid).

Voor het bepalen van het aantal gemeenten met minder dan 30.000 inwoners is de situatie op 1 januari van het jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor het college het deel van het participatiebudget ontvangt bepalend.

De volgende twee stappen worden onderscheiden in het bepalen van het gewicht Ow dat een gemeente met minder dan 30.000 inwoners krijgt:

1. bepaal gemeenten met minder dan 30.000 inwoners;

2. bereken de gewichten conform het model voor deze gemeenten:

a. Voor COROP-gebieden met meer dan één gemeente met minder dan 30.000 inwoners wordt het gewicht van alle gemeenten met minder dan 30.000 inwoners gezamenlijk bepaald, en wordt dit gewicht vervolgens verdeeld over de betrokken gemeenten naar rato van het aantal bijstandsontvangers.

b. Voor COROP-gebieden met maar één gemeente met minder dan 30.000 inwoners wordt het gewicht van alle gemeenten uit het COROP-gebied gezamenlijk bepaald, en wordt het gewicht van die ene gemeente met minder dan 30.000 inwoners bepaald naar rato van het aantal bijstandsontvangers van deze gemeente ten opzichte van het COROP-gebied. Het gewicht van de gemeenten met meer dan 30.000 inwoners wordt naar rato van hun gewicht gecorrigeerd voor het verschil tussen het via het model berekende gewicht van de gemeente met minder dan 30.000 inwoners en het gewicht dat op deze wijze is berekend.

Bijlage 1 — behorende bij artikel 2 van het Besluit participatiebudget › B — Gewichten › Overgang van historische kosten naar verdeelmodel

Overgang van historische kosten naar verdeelmodel

Voor de verdeling van het bedrag dat beschikbaar is gesteld door Onze Minister van SZW wordt voor de jaren 2009 en 2010 een overgangsregeling gehanteerd. Het aandeel van een gemeente in het beschikbare deel van het macrobudget dat afkomstig is van Onze Minister van SZW wordt bepaald door een combinatie van het historische budgetaandeel in 2003 in de totale subsidie die in dat jaar op grond van artikel 18 van de Wet inschakeling werkzoekenden (WIW) en artikel 13, eerste tot en met derde lid, van het Besluit in- en doorstroombanen (ID) beschikbaar was (KW / TKW) en het verdeelmodel. Het deel van het participatiebudget dat een college ontvangt uit het totale bedrag dat beschikbaar is gesteld door Onze Minister van SZW voor een participatiebudget voor alle colleges wordt berekend op grond van de formule (zie artikel 2 voor een toelichting):

(a × (OW / OTW) + (1–a) × (KW / TKW)) × TBW

Het totale gemeentelijke werkbudget 2003 bestond uit vijf verschillende budgetten:

1. WIW-normbudget;

2. WIW-declaratiedeel dienstbetrekkingen;

3. WIW-declaratiedeel werkervaringsplaatsen;

4. WIW Scholings- & Activeringsbudget;

5. ID-budget.

Het aandeel voor een gemeente in 2003 wordt bepaald door de som van deze budgetten voor de gemeente gedeeld door het in 2003 beschikbare macrobudget. Voor de budgetten 1, 4 en 5 komt dit neer op het optellen van de toegekende budgetten (voor de budgetten 1 en 4 wordt gerekend met de toegekende budgetten na de vaststelling van de loon- en prijsbijstelling 2003).

Voor de budgetten 2 en 3 wordt een systematiek gehanteerd welke het macro beschikbare declaratiebudget toedeelt aan gemeenten. Dit gebeurt als volgt.

Bijlage 1 — behorende bij artikel 2 van het Besluit participatiebudget › B — Gewichten › Toedeling declaratiedeel WIW-dienstbetrekkingen:

Toedeling declaratiedeel WIW-dienstbetrekkingen:

Het budgetaandeel per gemeente wordt als volgt berekend. Eerst wordt het quotiënt bepaald van het gemiddeld aantal gerealiseerde WIW-dienstbetrekkingen van de gemeente in het jaar 2002 ten opzichte van het gemiddeld aantal landelijk gerealiseerde WIW-dienstbetrekkingen in het jaar 2002 (gemiddelde stand over dat jaar op basis van de statistische bijlage bij de kwartaaldeclaraties). Het toe te rekenen budget voor het declaratiedeel dienstbetrekkingen is vervolgens gelijk aan dit quotiënt vermenigvuldigd met het voor het jaar 2003 beschikbare macrobudget declaratiedeel WIW-dienstbetrekkingen.

Bijlage 1 — behorende bij artikel 2 van het Besluit participatiebudget › B — Gewichten › Toedeling declaratiedeel WIW-werkervaringsplaatsen:

Toedeling declaratiedeel WIW-werkervaringsplaatsen:

Het budgetaandeel per gemeente wordt als volgt berekend. Eerst wordt het quotiënt bepaald van het gemiddeld aantal gerealiseerde WIW-werkervaringsplaatsen van de gemeente in het jaar 2002 ten opzichte van het gemiddeld aantal landelijk gerealiseerde WIW-werkervaringsplaatsen in het jaar 2002 (gemiddelde stand over dat jaar op basis van de statistische bijlage bij de kwartaaldeclaraties). Het toe te rekenen budget voor het declaratiedeel werkervaringsplaatsen is vervolgens gelijk aan dit quotiënt vermenigvuldigd met het voor het jaar 2003 beschikbare macrobudget declaratiedeel WIW-werkervaringsplaatsen.

Beide op bovenstaande wijze berekende budgetaandelen zijn opgeteld bij de overige deelbudgetten om het totale budget van een gemeente in 2003 te berekenen.

Het gewicht van de historische kosten wordt geleidelijk aan minder, conform onderstaande tabel. Vanaf 2011 zal de verdeling van het bedrag dat beschikbaar is gesteld door Onze Minister van SZW voor 100% worden bepaald door het verdeelmodel.

Jaar | Gewicht historische kosten (= 1–a in artikel 2) | Gewicht verdeelmodel (= a in artikel 2)

2005 | 100% | 0%

2006 | 83% | 17%

2007 | 67% | 33%

2008 | 50% | 50%

2009 | 33% | 67%

2010 | 17% | 83%

2011 | 0% | 100%

Bijlage 2 — behorende bij de artikelen 4 en 5 van het Besluit participatiebudget

Bijlage 2 — behorende bij de artikelen 4 en 5 van het Besluit participatiebudget

Vervallen