wetzoeker

Artikel 1 Regeling vrijstelling geld- en waardetransportbedrijven

1 Aan particuliere geld- en waardetransportbedrijven als bedoeld in artikel 147, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 is vrijstelling verleend van het bepaalde in de artikelen 10, 23, aanhef en onderdelen b, c, e en g, en 62 voor zover het betreft de verkeerstekens op de borden C1, C6, C7, C12, C17, C18, E2, E7, E8 en G7, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.

2 De vrijstelling wordt verleend onder de volgende voorschriften en beperkingen:

a. de veiligheid van het verkeer dient onder alle omstandigheden te worden gewaarborgd;

b. het verkeer dient zo weinig mogelijk te worden gehinderd, zo nodig dient daartoe het voor de uitoefening van de taak gebruikte voertuig te worden verplaatst;

c. van de vrijstelling mag alleen gebruik worden gemaakt, indien het vervoer betreft dat wordt verricht met materieel dat voldoet aan de eisen gesteld aan het gebruikte materieel in artikel 23, juncto bijlage 5, van de Regeling particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus;

d. de vrijstelling beperkt zich tot gebieden waarvoor een verkeersbesluit tot plaatsing van de in het eerste lid genoemde verkeerstekens is genomen met het oog op bescherming van het winkelende publiek;

e. de vrijstelling geldt alleen ten behoeve van de dienstverlening op het gebied van geld- en waardetransport op locaties gelegen in de in onderdeel d bedoelde gebieden;

f. in de gebieden genoemd in onderdeel d dient stapvoets te worden gereden.

Regeling
Regeling vrijstelling geld- en waardetransportbedrijven
Soort
Ministeriële regeling
Geldend vanaf
01-01-2009
BWB-id
BWBR0024799
Versie
2009-01-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl