Artikel 3 Circulaire spoorse doorsnijdingen 2e tranche
1 Het totale beschikbare bedrag voor de decentralisatie-uitkeringen met toepassing van deze bijlage bedraagt € 141 miljoen.
2 Een decentralisatie-uitkering bedraagt ten hoogste 25% van de kosten die voor een decentralisatie-uitkering in aanmerking komen van een project en bedraagt niet meer dan € 15 miljoen per project.
3 Tot de kosten die voor een decentralisatie-uitkering in aanmerking komen, bedoeld in het tweede lid, behoren de kosten van:
a. studies voor zover die door de minister aanvaardbaar worden geacht;
b. verwerving van een onroerende zaak voor zover die door de minister aanvaardbaar wordt geacht;
c. vergunningen en leges voor zover door de minister aanvaardbaar geacht;
d. bouwrente; deze is gelijk aan de rente van de meest recente staatslening op het moment van gunning van het werk; het bedrag en de termijn waarover de bouwrente vergoed wordt, behoeft de goedkeuring van de minister;
e. materialen;
f. werkzaamheden van aanleg, bouw, wijziging of inrichting van de betrokken infrastructuur;
g. bijkomende voorzieningen nodig om de betrokken infrastructuur na voltooiing haar functie te kunnen laten vervullen;
h. met het project samenhangende door de minister redelijk geachte schadevergoedingen aan derden;
i. voorlichting over de uitvoering van het project als begeleiding gedurende de bouw;
j. de omzetbelasting die niet op voet van artikel 15, eerste lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968, in aftrek kan worden gebracht en geen recht geeft op een bijdrage uit het BTW-compensatiefonds, waarbij de toepassing van artikel 2, tiende lid, van de Wet op het BTW-compensatiefonds, buiten aanmerking blijft;
k. de voorbereiding, administratie en toezicht voor zover gerelateerd aan het project; het percentage is afhankelijk van de hoogte van de bouwkosten:
1°. projecten met bouwsom van meer dan € 100 miljoen tot een maximum van 13,75%;
2°. projecten met bouwsom tussen de € 10 en € 100 miljoen tot een maximum van 17%;
3°. projecten met bouwsom kleiner dan € 10 miljoen tot een maximum van 24%.
l. onvoorziene omstandigheden voor zover deze betrekking hebben op de kosten- veroorzakende factoren genoemd in de onderdelen a tot en met i, waarbij een maximum geldt van 10%.
4 Tot de kosten, bedoeld in het tweede lid, behoren niet:
a. kosten van algemene bestuurlijke aard;
b. de kosten die reeds op grond van een andere regeling voor een financiële bijdrage van het Rijk of de Europese Unie in aanmerking komen;
c. de kosten gemaakt in verband met het verkrijgen van een accountantsverklaring.
5 Indien voor de uitvoering van een project door het Rijk uit anderen hoofde bijdragen worden verleend, wordt de decentralisatie-uitkering met toepassing van deze bijlage zodanig verlaagd dat de totale bijdrage van het Rijk niet meer dan 50% van de totale kosten bedraagt.
6 Indien vast staat dat voor de uitvoering van een project in het kader van het MIRT een bijdrage zal worden verstrekt door de minister, wordt de decentralisatie-uitkering zodanig verlaagd dat de totale bijdrage niet meer bedraagt dan 25% van de kosten, bedoeld in het derde lid, met een maximum van € 15 miljoen.
- Regeling
- Circulaire spoorse doorsnijdingen 2e tranche
- Soort
- Circulaire
- Geldend vanaf
- 28-11-2008
- BWB-id
- BWBR0024770
- Versie
- 2008-11-28_0