4.3 — Besluit Politiegegevens Aanwijzing inzake de informatie-uitwisseling in het kader van de wederzijdse rechtshulp in strafzaken (552i Sv.)
Besluit Politiegegevens
Een nadere uitwerking van artikel 17 van de Wet Politiegegevens is te lezen in de artikelen 5:1 t/m 5:5 van het Besluit politiegegevens. In lid 1 van artikel 5:1 is de algemene bepaling opgenomen dat politiegegevens verstrekt kunnen worden aan autoriteiten in een ander land die zijn belast met de uitvoering van de politietaak, voor zover de verstrekking noodzakelijk is voor de goede uitvoering van de politietaak in Nederland dan wel voor de goede uitvoering van de politietaak in het buitenland. Is dit laatste het geval, dan is verstrekking mogelijk ingeval van:
– de opsporing van een ernstig misdrijf
21 ‘Ernstig misdrijf’ is een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis kan worden toegepast. Daarnaast is ‘verzoek’ niet opgenomen, waardoor ruimte wordt geboden voor spontane verstrekking (zie Nota van Toelichting bij het Besluit van 14 december 2007. Staatsblad 2007, 550, pagina 89).
of de voorkoming van een ernstig gevaar voor de openbare orde of
– een verzoek met betrekking tot een bepaald persoon of bepaald geval
22 Een verzoek is nodig van het buitenland met betrekking tot een concrete casus. Het gaat om de minder ernstige strafbare feiten (zie Nota van Toelichting bij het Besluit van 14 december 2007. Staatsblad 2007, 550, pagina 89).
of
– de uitvoering van taken ten dienste van justitie (ex artikel 1, sub g Politiewet) op grond van een verzoek met betrekking tot een bepaald persoon of een bepaald geval.
In lid 2 staat het belangrijke beginsel dat de gegevens slechts verder kunnen worden verwerkt voor het doel waarvoor ze zijn verstrekt (vergelijk hetgeen hierover is vermeld in paragraaf 3). Op verzoek kan de verantwoordelijke instemmen met de verdere verwerking van verstrekte gegevens voor een ander doel. Hierbij geldt ook dat een verzoek om al verstrekte gegevens te mogen gebruiken voor een ander doel, beschouwd moet worden als een nieuw verzoek. In dat geval zal opnieuw getoetst moeten worden of doorzending van het verzoek aan het OM verplicht is of dat een zelfstandige afdoening door de politie kan plaatsvinden.
Als gevolg van het tot stand gekomen Verdrag van Prüm en het Zweeds Kaderbesluit (zie hiervoor paragraaf 3.2) zijn in de artikelen 5:2 en 5:3 van het Besluit Politiegegevens ruimere bepalingen gecreëerd voor het verstrekken van politiegegevens binnen de EU. In artikel 5:2 is een verplichting opgenomen tot verstrekking van politiegegevens aan personen of instanties in een andere EU-lidstaat, die zijn belast met de voorkoming en opsporing van strafbare feiten, onder gelijke voorwaarden als aan politieambtenaren in Nederland, voor zover zij deze nodig hebben voor een goede uitvoering van de politietaak en behoudens hetgeen is vermeld onder lid 2. In dit lid 2 is opgenomen dat de verstrekking kan worden geweigerd of aan beperkende voorwaarden kan worden onderworpen in de volgende zeven gevallen:
– de officier van justitie de benodigde toestemming om politiegegevens te verstrekken weigert;
– essentiële nationale veiligheidsbelangen zouden worden geschaad;
– het welslagen van een lopend onderzoek of een verwerking, bedoeld in artikel 10, lid 1, sub a van de Wet Politiegegevens (denk aan: CIE-taak) of de veiligheid van personen in gevaar zou worden gebracht;
– duidelijk disproportioneel of irrelevant zou zijn met het oog op de doelen waarvoor om verstrekking van de gegevens is verzocht;
– betrekking heeft op een strafbaar feit dat in Nederland strafbaar is gesteld met een gevangenisstraf van één jaar of minder;
– betrekking heeft op politiegegevens die zijn verkregen van een andere lidstaat of van een derde land en deze geen toestemming geeft voor de verstrekking;
– een geval genoemd in artikel 2:13: hieronder vallen onder andere onderzoeken die als embargo-onderzoek zijn aangemerkt en gegevens die worden verwerkt op grond van artikel 10, lid 1, sub b van de Wet Politiegegevens. Voor een nadere uiteenzetting wordt verwezen naar de Aanwijzing Wet Politiegegevens, die in werking is getreden op 1 augustus 2008 (Stcrt. 2008, 142).
In het algemeen geldt dat de politie moet overleggen met de officier van justitie, als verstrekking van politiegegevens het opsporings- of vervolgingsbelang zou kunnen doorkruisen, omdat de officier van justitie als leider van het opsporingsonderzoek zeggenschap moet kunnen uitoefenen over de verwerking en verstrekking van gegevens.
23 Het gezag van de officier van justitie vloeit mede voort uit artikel 148 van het Wetboek van Strafvordering en artikel 13 van de Politiewet 1993, naast uiteraard de in deze Aanwijzing aangehaalde artikelen uit titel X Sv. Zie in dit verband ook de Aanwijzing Wet politiegegevens (Stcrt. 2008, 142).
Naar aanleiding van het Verdrag van Prüm is in artikel 5:3 van het Besluit Politiegegevens de rechtstreeks geautomatiseerde verstrekking van bepaalde categorieën van politiegegevens, door middel vangegevensvergelijking, binnen de EU geregeld. Dit is tot nu toe uitsluitend mogelijk voor dactyloscopische gegevens.
24 De in het Verdrag van Prüm genoemde uitwisseling van DNA-profielen en kentekens vallen niet onder het regime van de Wet en het Besluit Politiegegevens, maar onder dat van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens respectievelijk de Wet bescherming persoonsgegevens (zie Staatsblad 2007, 550, pagina 95). Zie ook de Nota van Toelichting bij de wijziging van het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken i.v.m. het Verdrag van Prüm (Staatsblad 2007, 512, pagina 8 e.v.).
Bij een ‘hit’ kan verstrekking van nadere gegevens plaatsvinden op basis van een rechtshulpverzoek (zie artikel 552h Sv).
Verder zijn in de artikelen 5:4 en 5:5 van het Besluit Politiegegevens bepalingen opgenomen in verband met verstrekking van politiegegevens binnen gemeenschappelijke onderzoeksteams
25 Zie voor dergelijke teams: Aanwijzing internationale gemeenschappelijke onderzoeksteams (2008A007). Staatscourant 2008, 45.
en aan Europol. Bij Europol moet ook gedacht worden aan het leveren van informatie aan het Europol Informatie Systeem (zie voetnoot 8). Daarnaast kan informatie geleverd worden aan een Analytical Work File (AWF), als sprake is van een lopend onderzoek of eventueel bij een afgerond onderzoek. Een dergelijke levering moet plaatsvinden in overleg met de officier van justitie onder wiens leiding het onderzoek loopt c.q. heeft gelopen. Uitgangspunt is dat informatie met Europol wordt gedeeld. Van het gebruik van de weigeringsgronden, genoemd in artikel 4 lid 5 van de Europol overeenkomst
26 Voluit: de Overeenkomst o.g.v. Artikel K.3 van het Verdrag betreffende de EU tot oprichting van een Europese Politiedienst. Trb. 1995/282 en 1998/209.
, moet slechts bij hoge uitzondering gebruik gemaakt worden.
- Regeling
- Aanwijzing inzake de informatie-uitwisseling in het kader van de wederzijdse rechtshulp in strafzaken (552i Sv.)
- Soort
- Beleidsregel
- Geldend vanaf
- 01-01-2009
- BWB-id
- BWBR0024759
- Versie
- 2009-01-01_0