6 — Scheikunde Regeling aanwijzing niet c.e.-stof profielen 2008 en 2009
Scheikunde
De beperking in de c.e.-stof voor scheikunde is in 2008 dezelfde als vanaf 2004
Subdomein B1 | toepassingen (anorganisch) (eindtermen 1 en 2)
Subdomein C1 | toepassingen van synthetische polymeren (eindtermen 14, 15, 16)
Subdomein C3 structuren van koolstofverbindingen
Van dit subdomein betreft de aanwijzing in hoofdzaak de eindtermen 41 en 43 (organische naamgeving), waarover geen vragen gesteld zullen worden. De examinering kan wel betrekking hebben op de andere eindtermen van dit subdomein, met de volgende aantekeningen:
van eindterm 38 wordt bij de examinering niet verder gegaan dan structuurformules voor verbindingen met een onvertakte keten en hoogstens één karakteristieke groep: (Dus bijvoorbeeld geen diënen en diolen.)
van eindterm 39 wordt bij de examinering niet verder gegaan dan koolstofverbindingen met een onvertakte keten en hoogstens één karakteristieke groep (Dus geen esters, maar wel bijvoorbeeld 2-propanol en 2-chloorpropaan, maar niet 2-methylpropaan.)
N.b.: het proces van polymerisatie (eindterm 30 van subdomein C2) moet wel gekend worden.
Subdomein D3 | structuren van biochemische stoffen (eindtermen 53 t/m 56) (i.v.m. organische naamgeving)
Subdomein E3 | evenwichten (eindtermen 68, t/m 71)
In verband hiermee worden ook over de eindtermen 61, 67 83, 92 en 96 geen vragen gesteld, zal wat betreft de eindtermen 89, 90 en 95 de vraagstelling geen betrekking op zwakke zuren en zwakke basen en zal bij eindterm 95 ook niet naar buffers worden gevraagd. Tenslotte wordt aan eindterm 99 toegevoegd: gebruikmakend van de betrekking pH + pOH = 14,00 (bij 298 K).
N.B.
In reactievergelijkingen geen verschil maken tussen oplossingen van sterke en zwakke zuren:
een oplossing van salpeterzuur weergeven als H+ + NO3-
een oplossing van azijnzuur weergeven als H+ + CH3COO-
een oplossing van koolzuur weergeven als (2) H+ + CO32-
In reactievergelijkingen geen verschil maken tussen oplossingen van sterke en zwakke basen:
een oplossing van natriumhydroxide weergeven als Na+ + OH-
een oplossing van natriumacetaat weergeven als Na+ + CH3COO-
een oplossing van ammoniak (ammonia) weergeven als NH3
een oplossing van natriumcarbonaat weergeven als (2) Na+ + CO32
Subdomein G1 | toepassingen (eindtermen 85 en 86)
Subdomein H1 | toepassingen (100 t/m 105)
Subdomein B1 | toepassingen (anorganisch) (eindtermen 1 en 2)
Subdomein C1 | toepassingen van synthetische polymeren (eindtermen 14, 15, 16)
Subdomein C3 | structuren van koolstofverbindingen
Van dit subdomein betreft de aanwijzing in hoofdzaak de eindtermen 41 en 43 (organische naamgeving), waarover geen vragen gesteld zullen worden. De examinering kan wel betrekking hebben op de andere eindtermen van dit subdomein, met de volgende aantekeningen:
- van eindterm 38 wordt bij de examinering niet verder gegaan dan structuurformules voor verbindingen met een onvertakte keten en hoogstens één karakteristieke groep: (Dus bijvoorbeeld geen diënen en diolen.)
- van eindterm 39 wordt bij de examinering niet verder gegaan dan koolstofverbindingen met een onvertakte keten en hoogstens één karakteristieke groep (Dus geen esters, maar wel bijvoorbeeld 2-propanol en 2-chloorpropaan, maar niet 2-methylpropaan.)
N.b.: het proces van polymerisatie (eindterm 30 van subdomein C2) moet wel gekend worden.
Subdomein D3 | structuren van biochemische stoffen (eindtermen 53 t/m 56) (i.v.m. organische naamgeving)
Subdomein E3 | evenwichten (eindtermen 68, t/m 71)
In verband hiermee worden ook over de eindtermen 61, 67 83, 92 en 96 geen vragen gesteld, zal wat betreft de eindtermen 89, 90 en 95 de vraagstelling geen betrekking op zwakke zuren en zwakke basen en zal bij eindterm 95 ook niet naar buffers worden gevraagd. Tenslotte wordt aan eindterm 99 toegevoegd: gebruikmakend van de betrekking pH + pOH = 14,00 (bij 298 K).
N.B.
In reactievergelijkingen geen verschil maken tussen oplossingen van sterke en zwakke zuren:
een oplossing van salpeterzuur weergeven als H+ + NO3-
een oplossing van azijnzuur weergeven als H+ + CH3COO-
een oplossing van koolzuur weergeven als (2) H+ + CO32-
In reactievergelijkingen geen verschil maken tussen oplossingen van sterke en zwakke basen:
een oplossing van natriumhydroxide weergeven als Na+ + OH-
een oplossing van natriumacetaat weergeven als Na+ + CH3COO-
een oplossing van ammoniak (ammonia) weergeven als NH3
een oplossing van natriumcarbonaat weergeven als (2) Na+ + CO32
Subdomein G1 | toepassingen (eindtermen 85 en 86)
Subdomein H1 | toepassingen (100 t/m 105)
- Regeling
- Regeling aanwijzing niet c.e.-stof profielen 2008 en 2009
- Soort
- ZBO-regeling
- Geldend vanaf
- 01-01-2006
- BWB-id
- BWBR0024728
- Versie
- 2006-01-01_0