wetzoeker

7.1 — De lespraktijk Regeling centraal examen 2006

De lespraktijk

De functie van de lagere school ontwikkelde zich gedurende de tweede helft van de negentiende eeuw voorzichtig van ’eindstation’ naar ’voorportaal’ voor het voortgezet onderwijs. Het standenonderwijs werd in de wet van 1857 weliswaar niet doorbroken, maar naast afkomst gingen ook capaciteiten tellen. In 1863 werd het voortgezet onderwijs uitgebreid met de Hogere Burgerschool (HBS). Dit schooltype moest met name kinderen afkomstig uit beter gesitueerde middengroepen bedienen, zoals het gymnasium dat deed voor de elite.

In het lager onderwijs kwam toename van het schoolbezoek vooral voor onder de minvermogenden: armenscholen in de steden konden de groei nauwelijks bijhouden. De schoolwet van 1878 beperkte de klassendeler tot veertig leerlingen. De toestroom van leerlingen leidde tot capaciteitsproblemen en wachtlijsten: er waren onvoldoende onderwijzers en klaslokalen beschikbaar. Het aantal kweekscholen werd uitgebreid van één naar drie. Het personeelstekort trachtte men verder op te lossen met hulponderwijzers die in de avonduren voor hun onderwijsakte studeerden, maar overdag lesgaven. Een hulponderwijzer was minimaal veertien jaar. Door de introductie van het vak ’nuttige handwerken’ verkregen ook onderwijzeressen een vaste positie in het lager onderwijs. Zij namen later vaak ook de laagste klassen voor hun rekening.

Schoolverzuim en wachtlijsten bij de stedelijke scholen leidden er toe dat lang niet alle kinderen een volledig lesprogramma volgden. Sommigen ontvingen maar vier of vijf jaar onderwijs, want op twaalfjarige leeftijd gold niet langer het arbeidsverbod en werden de kinderen van school gehaald. Armenscholen telden relatief ook meer achterstandskinderen met een traag leertempo. In deze situatie was het van belang de effectiviteit van het onderwijs aan deze scholen te optimaliseren.

Vanaf circa 1860 kwam er moderner lesmateriaal beschikbaar, vaak door onderwijzers en schoolopzieners zelf ontwikkeld. In de nieuwe leesboekjes was de moraliserende toon verdwenen, evenals verwijzingen naar de standenmaatschappij. De inhoud werd minder belangrijk; het ging vooral om de juiste methodiek. Via aanschouwelijk onderwijs trachtte men leerprocessen effectiever te maken. Zo werd rond 1900 in vrijwel alle scholen gebruik gemaakt van het ’leesplankje van Hoogeveen’, waarbij het lezen van woorden ondersteund werd met een afbeelding. Er kwamen ’leerleesboekjes’, die zowel voor het meer gevorderde leesonderwijs als voor het onderwijs in de zaakvakken te gebruiken waren. Daarnaast bleven de wandplaten voor aardrijkskunde, geschiedenis en kennis der natuur van belang. Het onderwijs in deze vakken bleef echter sterk gericht op het aanbrengen van overzichtskennis. De tijd ontbrak er ook vaak voor, omdat de basisvakken lezen, schrijven en rekenen voorgingen en vaak nog onvoldoende beheerst werden.

Rond 1900 gingen veel scholen naast lei en griffel ook schriften en inktpennen gebruiken. Hierdoor was de onderwijzer beter in staat overzicht te houden over de vorderingen van zijn pupillen. Het analfabetisme in Nederland werd na 1900 bijna geheel teruggedrongen. Het aanschouwelijk onderwijs impliceerde een klassikale werkvorm, waarbij het aankwam op kijken en luisteren, nazeggen en herhalen. Tucht en discipline waren voorwaarden voor dit onderwijs; elke vorm van onrust moest worden onderdrukt. Op het slaan van kinderen kwam in 1901 een wettelijke sanctie te staan. Regelmatig verzuimende leerlingen verstoorden het klassikale onderwijs omdat ze ten opzichte van de rest van de klas op achterliepen.

Moderne onderwijzers, zoals Jan Ligthart, zetten rond 1900 ook om andere redenen vraagtekens bij de klassikale aanpak. Zij bepleitten vormen van zelfwerkzaamheid. Actief bezig zijn met leerstof sloot volgens hen beter aan bij de kinderlijke aard. Ook verwachtten zij dat daardoor de kennis beter zou beklijven. Tegenstanders deden deze voorstellen echter denken aan het chaotische hoofdelijke onderwijs van vóór 1806.

Regeling
Regeling centraal examen 2006
Soort
ZBO-regeling
Geldend vanaf
01-08-2004
BWB-id
BWBR0024727
Versie
2004-08-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl