wetzoeker

6.9 — De kiesrechtkwestie Regeling centraal examen 2006

De kiesrechtkwestie

De grondwet van 1848 koppelde kiesrecht aan de census; de hoogte van de directe belastingafdracht. Hieraan lag de liberale opvatting ten grondslag dat het politieke debat het beste gevoerd kon worden door onafhankelijk denkende mensen; een onafhankelijke economische positie gold daarom als maatstaf voor het toekennen van het kiesrecht. In de praktijk betekende dit dat slechts een zeer kleine minderheid van de mannelijke Nederlandse burgers kiesrecht bezat. Over uitbreiding van het kiesrecht werd vanaf circa 1870 uitvoering gedebatteerd. Besluitvorming werd bemoeilijkt omdat hierover binnen de bestaande politieke stromingen van zowel liberalen als conservatieven uiteenlopend werd gedacht. In 1887 werden de censusbepalingen uit de grondwet geschrapt, maar het bleek moeilijk een ander sluitend criterium te vinden op basis waarvan kon worden vastgesteld wie er in aanmerking moest komen voor het kiesrecht. Het ’caoutchouc-artikel’ dat er voor in de plaats kwam verleende kiesrecht aan alle mannen die voldeden aan ’kentekenen van maatschappelijke welstand en geschiktheid’, een ’rekbare’ omschrijving. De gemeentes kregen de niet geringe opdracht deze ’geschiktheid’ vast te stellen. Door de afschaffing van de censusbepalingen kwam het kiesrecht binnen het bereik van de kleine burgerij. De politieke betekenis van de confessionelen in het parlement, en in het bijzonder van de orthodoxprotestanten onder aanvoering van hun leider Abraham Kuyper, nam hierdoor toe.

Het electoraat werd door de grondwetswijziging van 1887 verdubbeld: van ca. 12% naar ca. 24% van de mannelijke bevolking. In andere Europese landen lag dit percentage veel hoger of bestonden zelfs vormen van algemeen mannenkiesrecht. Invoering van algemeen kiesrecht betekende echter het loslaten van het klassieke liberale principe dat alleen zij die een productieve bijdrage leverden aan de maatschappij recht hadden op politieke inspraak. Het kiesrecht zou dan ook toevallen aan de verpauperde armlastigen in de steden en het plattelandsproletariaat. Een electoraat dat zich, gezien de kinderrijke gezinnen, snel vermeerderde. Groepen die zelf geen belasting betaalden zouden dan wel indirect mogen meebeslissen over de besteding ervan. Dat ging velen te ver. Progressief-liberale voorstanders meenden echter dat zonder uitbreiding van het electoraat een progressieve politiek moeilijk uitvoerbaar zou worden. Het kiesrecht zou bovendien een opvoedende werking kunnen hebben, omdat het electoraat voorgelicht moest worden. Vertegenwoordigers van de arbeidersbeweging dachten dat sociaal-economische misstanden pas werkelijk zouden verdwijnen wanneer niet alleen hun werkgevers, maar ook de arbeidersklasse zelf, politieke macht bezat. In hoeverre politieke stromingen of partijen voor wat betreft hun eigen achterban zouden profiteren van invoering van het algemeen kiesrecht was echter niet goed voorspelbaar. Uiteindelijk werd in 1896 het kiesrecht nogmaals uitgebreid, waarmee het electoraat op zo’n 50 % van de totale mannelijke bevolking kwam.

Regeling
Regeling centraal examen 2006
Soort
ZBO-regeling
Geldend vanaf
01-08-2004
BWB-id
BWBR0024727
Versie
2004-08-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl