wetzoeker

6.11 — Het leerplichtdebat Regeling centraal examen 2006

Het leerplichtdebat

De wenselijkheid van verplicht lager onderwijs voor alle zes- tot twaalfjarigen was lange tijd voorwerp van publiek debat. Dat invoering van de leerplicht zowel de kinderarbeid als het schoolverzuim sterk zou kunnen terugdringen werd door niemand ontkend. Voorstanders waren de liberalen. Volgens hen was het in het belang van de maatschappelijke en economische ontwikkeling van het land dat alle kinderen een volledig lagere onderwijsprogramma zouden volgen. Met een beter opgeleide bevolking zou op termijn aan de groeiende vraag naar geschoold personeel kunnen worden voldaan. Een opgeleide en economisch zelfstandige bevolking droeg bij aan het liberale burgerschapsideaal. Uitbreiding van het kiesrecht zou dan op termijn eveneens gerealiseerd kunnen worden. Daar stond tegenover dat invoering van de leerplicht op de korte termijn voor de laagst betaalden een daling van het gezinsinkomen betekende. Het betekende ook een inbreuk op het ouderlijk gezag en op de vrijheid van ouders hun kinderen op te voeden zoals hen goeddunkt. In hoeverre een overheid hierin kon treden was voor sommige liberalen wel een vraag.

De confessionelen verklaarden zich tegen invoering van algemene leerplicht zolang financiële gelijkstelling tussen openbaar en bijzonder onderwijs niet bij wet geregeld was en de voorwaarden voor openbare en bijzondere scholen dus niet dezelfde waren. In de schoolwet van 1889 was de financiële ongelijkheid tussen openbare en bijzondere scholen weliswaar verminderd, maar aan het volgen van bijzonder onderwijs waren vaak hogere kosten verbonden. Invoering van leerplicht kon ook betekenen dat confessionele ouders hun kinderen naar een openbare school moesten sturen, omdat er in hun omgeving geen bijzonder onderwijs voorkwam. Ook confessionelen hadden moeite met de inbreuk op het ouderlijk gezag die invoering van leerplicht met zich meebracht.

De sociaal-democraten wezen erop dat de schoolwet van 1889, waarin kosteloos onderwijs werd afgeschaft, het onderwijs voor arbeiders te duur had gemaakt. In veel arbeidersgezinnen zou invoering van de leerplicht tot verhoging van de uitgaven leiden en naar alle waarschijnlijkheid tot inkomstenderving door het wegvallen van een deel van de kinderarbeid. Dergelijke gezinnen moesten gecompenseerd worden in de vorm van schoolkleding en schoolvoeding, te verstrekken door de plaatselijke overheid. Het wetsvoorstel van het kabinet Pierson-Goeman Borgesius voorzag hier niet in en dus stemden ook de drie sociaal-democratische kamerleden tegen. De Wet op de Leerplicht werd in 1901 uiteindelijk met 50 stemmen voor en 49 stemmen tegen door de Tweede Kamer aangenomen.

Regeling
Regeling centraal examen 2006
Soort
ZBO-regeling
Geldend vanaf
01-08-2004
BWB-id
BWBR0024727
Versie
2004-08-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl