wetzoeker

5.3 — De rol van de overheid in het onderwijs Regeling centraal examen 2006

De rol van de overheid in het onderwijs

De verlichte Bataafse bestuurders hadden in 1798 een scheiding tussen kerk en staat aangebracht. Met de schoolwet van 1806 hadden zij de overheid een centrale rol gegeven in het lager onderwijs. De wet bepaalde dat er geen leerstellig onderwijs meer mocht worden gegeven. Het lager onderwijs moest openbaar en dus toegankelijk zijn voor kinderen uit alle geloofsrichtingen. De schoolwet van 1806 schreef daarom voor dat het openbaar onderwijs ’algemeen christelijk’ van karakter zou zijn. Een niet nader ingevulde typering die er in de praktijk op neer kwam dat het onderwijs in een enigszins vrijzinnig- protestantse sfeer werd gegeven. Joodse scholen werden na verloop van tijd van deze bepaling uitgezonderd, maar meer orthodoxe protestanten en katholieken niet. Zij wezen het vrijzinnig protestantse karakter van het openbaar onderwijs af en wensten aanpassingen te mogen maken met betrekking tot de lesstof en de aanstelling van onderwijzers in gebieden waar hun geloofsrichting getalsmatig sterk vertegenwoordigd was. Ook liberalen vroegen zich na verloop van tijd af of de wet niet te veel beperkingen oplegde en of een dergelijke rol van de overheid in het onderwijs niet te ver ging. Een overheid diende zich niet met zaken van godsdienstige aard te bemoeien, noch met zaken die meer de persoonlijke levenssfeer van de burgers betroffen.

In 1848 werden vrijheid van onderwijs en vrijheid van vereniging vastgelegd in de grondwet. Hierdoor werd herziening van de onderwijswet nodig. Met de schoolwet van 1857 werd vrijheid van godsdienst ook in het onderwijs gegarandeerd. De grondwet van 1848 benadrukte ook de neutraliteit van de staat. De overheid bekostigde het confessionele onderwijs niet; confessioneel onderwijs werd een vorm van bijzonder onderwijs en daardoor voor veel mensen te duur. De schoolwet van 1878 voorzag in een verdere kwaliteitsverbetering van het lager onderwijs. De onderwijsuitgaven werden hierdoor fors verhoogd. Onderwijzerssalarissen werden opgetrokken en tegelijkertijd werd de klassendeler vastgelegd op 40 leerlingen. Aan de bouw en inrichting van schoolgebouwen werden dwingende voorgeschriften gesteld. Om de noodlijdende gemeentes tegemoet te komen nam de rijksoverheid een deel van de kosten over, mits de scholen onderwijs met een algemeen christelijk karakter verzorgden.

Regeling
Regeling centraal examen 2006
Soort
ZBO-regeling
Geldend vanaf
01-08-2004
BWB-id
BWBR0024727
Versie
2004-08-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl