wetzoeker

5.2 — Liberale opvattingen over burgerschap Regeling centraal examen 2006

Liberale opvattingen over burgerschap

In de Tweede Kamer waren de liberalen rond 1850 sterk vertegenwoordigd. De grondwet van 1848, het geesteskind van de liberale voorman Johan Rudolf Thorbecke, weerspiegelde de liberale opvatting over taken en verantwoordelijkheden van overheid en burger. De overheid had volgens de liberale opvatting slechts een voorwaardenscheppende taak: zij moest in alle sectoren van het maatschappelijk leven vrijheid en zelfstandigheid van burgers zo veel mogelijk bevorderen, maar speelde verder een beperkte rol. Het leven van de meeste burgers voltrok zich grotendeels zonder overheidsbemoeienis en zonder burgerlijke betrokkenheid bij politiek en bestuur. Politiek was een zaak van deftige heren. Heren die een verantwoordelijk en respectabel leven leidden en bij wie het landsbestuur in goede handen was. Slechts een zeer beperkte groep van gegoede burgers was actief dan wel passief bij de politiek betrokken. Aan het censuskiesrecht lag de liberale opvatting ten grondslag dat politieke rechten moesten samengaan met een zelfstandig oordeelsvermogen. Dit werd afgemeten aan een onafhankelijke economische positie. Een hoge census gold als waarborg voor een verstandig uitgebrachte stem. Als gevolg van de censusbepalingen bezat vijf à zes procent van de mannelijke inwoners na 1848 het kiesrecht.

Maar ook de niet kiesgerechtigde burgers speelden volgens de liberalen een belangrijke rol in de samenleving: het welzijn van staat en natie berustte op de werkzaamheid van de burger en de orde van het gezin. Degenen die zichzelf tot de ’beschaafde stand’ rekenden voelden zich ’burger’; zij gedroegen zich zoals de burgerlijke conventies dat van hen vereisten. Omgangsvormen, beroepsprestige, persoonlijke reputatie en sociale relaties speelden daarbij een belangrijke rol. In een burgerlijk gezin trachtte men het kindertal enigszins beperkt te houden, was de man kostwinner; de vrouw des huizes regelde het huishouden op ordentelijke wijze en droeg op een verantwoorde manier zorg voor de opvoeding van de kinderen. Huiselijkheid stond in een burgerlijk gezin centraal. De liberalen gingen er vanuit dat zoveel mogelijke groepen in de samenleving zich zouden ontwikkelen in de richting van dit liberale burgerschapsideaal. Op termijn zouden zij dan ook in aanmerking kunnen komen voor het kiesrecht. Onderwijs zou daaraan een belangrijke bijdrage kunnen leveren. Inwoners kwalificeerden zich volgens liberalen dus als kiezers wanneer zij zich als ’burgers’ gingen gedragen.

Regeling
Regeling centraal examen 2006
Soort
ZBO-regeling
Geldend vanaf
01-08-2004
BWB-id
BWBR0024727
Versie
2004-08-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl