wetzoeker

Verantwoording Regeling centraal examen 2006

De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen gaf de opdracht om vanuit het subdomein ’primaire samenlevingsverbanden en opvoeding’ een thema te ontwikkelen voor de Centrale Examens Geschiedenis voor HAVO en VWO in 2006 en 2007.

Op het moment dat deze stofomschrijving ontwikkeld werd, bestond er voor eindexamenthema’s behoefte aan meer aandacht voor lange lijnen en overzichtsgeschiedenis en minder aan een al te specialistische invulling. Daarom is ervoor gekozen de ideeën over opvoeding en opvoedingspraktijk te verklaren vanuit een brede politieke, sociaaleconomische en cultureel-mentale context. Het thema ’opvoeding’ is daarentegen beperkt tot het perspectief van opvoeding tot ’lid van de samenleving’ via het onderwijs aan kinderen tot twaalf jaar. De periode is beperkt tot de ’lange negentiende eeuw’ tussen 1780 en 1920, een periode die logisch voortvloeit uit de specificaties van het subdomein. Het thema sluit aan bij elementen uit de subdomeinen ’staats- en natievorming’ en ’politiek systeem en politieke cultuur in Nederland’.

In de Verlichting wordt algemeen aangenomen dat de opvoeding van het kind van belang is voor de maatschappij als geheel. Via de opvoeding kunnen deugden worden aangeleerd die van kinderen nuttige burgers maken, in welke situatie zij zich later ook zullen bevinden. In de erop volgende eeuwen is er over inhoud en methodiek van lager onderwijs aan kinderen hevig gediscussieerd. De reden daarvoor is onder meer dat onderwijs steeds is gekoppeld aan het debat over hoe inwoners van Nederland pashun samenleving willen inrichten en wat zij dan precies onder burgerschap verstaan.

Het hoofdthema ’van kind tot burger’ wordt door de leerlingen bestudeerd aan de hand van vier hoofdvragen:

1. Welke ideeën leefden er in Nederland over burgers en wat van hen als lid van de samenleving werd verwacht en welke ideeën over het opvoeden van kinderen via het volksonderwijs vloeiden hieruit voort?

2. Vanuit welke politieke, sociaal-economische en cultureel- mentale achtergronden is het ontstaan van deze ideeën te verklaren?

3.

a. In welke mate heeft de overheid en in welke mate hebben anderen in de praktijk vorm kunnen geven aan deze ideeën?

b. Op welke politieke, sociaal-economische of cultureel- mentale belemmeringen stuitten zij daarbij?

4. Hebben onderwijspolitiek en onderwijspraktijk politieke, sociaal-economische en cultureel-mentale tegenstellingen in de samenleving verminderd of zijn deze hierdoor juist instandgehouden of zelfs bevorderd?

Het bestuderen van de wisselwerking tussen ideeën over opvoeding en ontwikkelingen in staat en samenleving in de periode 1780-1920 stelt de leerling in staat

te ontdekken hoe Nederland in deze periode is veranderd als staat en als samenleving.

te zien hoezeer discussies over opvoeding en onderwijs samenhangen met en deel uitmaken van processen van staats- en natievorming en van sociaal-economische ontwikkelingen.

bij discussies in de eigen tijd over de rol van het onderwijs verbanden te zien met ontwikkelingen in staat en samenleving en daarbij zinvolle vragen te stellen.

Binnen het thema is verder een tweedeling aangebracht, waarbij 1848, het jaar van de grondwetswijziging, als scharnierpunt functioneert. De leerling kijkt vanuit drie ankerpunten in de tijd, opgehangen aan onderwijswetgeving: 1806, 1857 en 1917. Deze momenten gelden als een soort ordeningsinstrument. Dit betekent niet dat de leerling over de tijd daaraan voorafgaand en ’tussendoor’ niets hoeft te weten. De wetgeving kan beschouwd worden als resultaat van discussies en compromissen en als uitgangspunt van te voeren beleid. Het thema is niet consequent chronologisch beschreven; vooral de vraagstelling bepaalt de volgorde waarin het thema wordt behandeld.

In afwijking van voorgaande stofomschrijvingen is apart geen ’historisch kader’ opgenomen; de historische context maakt nu immers expliciet deel uit van de stofomschrijving. Eveneens ontbreekt een beschrijving van specifieke ’casussen’, al geeft de vierde hoofdvraag wel een richting aan waarin gezocht kan worden. Een casus binnen het examen wordt zodanig ontworpen dat het niet uitmaakt aan de hand van welke voorbeelden de leerling heeft geoefend, mits hij de stof beheerst, en de vaardigheden uit domein A. Vetgedrukte begrippen kunnen op twee manieren begrepen worden: een deel van de vetgedrukte begrippen (Verlichting, Bataafse Republiek) kan worden beschouwd als onder geschiedenisdocenten algemeen bekende begrippen. Zij zijn in deze stofomschrijving niet nader uitgelegd. Een andere categorie vetgedrukte begrippen zijn begrippen die specifiek bij het thema horen. Deze begrippen (schoolwet van 1806) zijn in de stofomschrijving wél nader omschreven. Begrippen zijn vetgedrukt waar zij voor het eerst in de tekst voorkomen én waar zij voorkomen in een relevante context.

Regeling
Regeling centraal examen 2006
Soort
ZBO-regeling
Geldend vanaf
01-08-2004
BWB-id
BWBR0024727
Versie
2004-08-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl