wetzoeker

9. Referenties (deel 1) Warenwetregeling nadere eisen kinderbedden en -boxen

ISO 7619-2: 2004 , Gevulcaniseerde of thermoplastische rubber – Bepaling van de indringhardheid – Deel 2: IRHD leesbare methode

ISO 2439: 1997: Flexible cellular polymeric materials – Determination of hardness (indentation technique).

NEN-EN 71-1: 1998. Veiligheid van speelgoed – Deel 1: Mechanische en fysische eigenschappen. NEN. Delft. 88 pp.

NEN-EN 71-2: 2003. Veiligheid van speelgoed – Deel 2: Brandbaarheid

Warenwetbesluit kinderbedden en -boxen, 15 januari 1997, stb.20.

NEN-EN 716 deel 1: 1995. Meubelen – Kinderledikanten en opvouwbare kampeerbedjes voor huishoudelijk gebruik – Deel 1: Veiligheidseisen

NEN-EN 716 deel 2: 1995. Meubelen – Kinderledikanten en opvouwbare kinderbedjes voor huishoudelijk gebruik – Deel 2: Beproevingsmethoden

NEN-EN 12227 deel 1: 1999. Kinderboxen voor huishoudelijk gebruik – Deel 1: Veiligheidseisen

NEN-EN 12227 deel 2: 1999. Kinderboxen voor huishoudelijk gebruik – Deel 2: Beproevingsmethoden

prEN 716 deel 1: maart 2005 Meubelen – Kinderledikanten en opvouwbare kampeerbedjes voor huishoudelijk gebruik – Deel 1: Veiligheidseisen

prEN 716 deel 2: maart 2005 Meubelen – Kinderledikanten en opvouwbare kinderbedjes voor huishoudelijk gebruik – Deel 2: Beproevingsmethoden

NEN-EN 1130:2000 A1 : Artikelen voor zuigelingen en peuters – Veiligheidshekjes – Veiligheidseisen en beproevingsmethoden

NEN-EN 71-3. Veiligheid van speelgoed – Deel 3: Migratie van bepaalde elementen

CEN/TR 13387: 2004: Artikelen voor zuigelingen en peuters – Veiligheidsrichtlijnen

Nadere uitleg

In deze nadere uitleg worden verschillende eisen nader verklaard en een uitleg over de achtergrond van enkele testmethoden gegeven.

Doel

Omdat gebleken is dat de eisen die in het verleden gesteld werden aan kinderbedden en boxen onvoldoende bescherming bieden aan de huidige producten die in kindercentra gebruikt worden, is een specifiek eisenpakket opgesteld voor deze producten. Het eisenpakket is tot stand gekomen in samenwerking met fabrikanten, keuringsinstanties, brancheorganisaties van ondernemers in kindercentra, Stichting Consument en Veiligheid en de VWA.

De kans op letsel bij lage kinderbedden (ook wel stretchers genoemd) is gering, vandaar dat zij geen uitvalbescherming (hekje) hoeven te hebben.

Definitie

Een opstaande rand om het matras op zijn plaats te houden is geen uitvalbeveiliging. Een uitvalbeveiliging wordt in de praktijk meestal ‘hekje’ genoemd.

In het eisenpakket wordt een onderscheid gemaakt tussen sluiten en vergrendelen. Het sluiten is het ‘hekje’ voor de opening doen. Daarna volgt het vergrendelen waarbij het hekje, als het ware ‘op slot’ wordt gedaan. Zie verder bij ‘vallen van hoogte’

Aantrede en optrede worden verder uitgelegd middels onderstaande tekening:

Beknelling

De opgestelde eisen gelden voor alle delen van het product die bereikbaar zijn, hetzij door het kind in het bed of de box, dan wel door een ander kind spelend om het product.

Gevaren van bewegende delen

Omdat de gebruiker in controle is van de handeling en in staat is te stoppen op het moment dat hij pijn voelt is in specifieke gevallen beknelling van bewegende delen toegestaan.

Om het risico op beknelling, guillotinewerking en impact te verminderen zijn eisen ontwikkeld om het risico te beperken. Een hek mag nooit in de verblijfsruimte van een er onder slapend of spelend kind bewegen omdat dit geen onbedoelde beweging is en dagelijks risicovolle situaties met zich mee kan brengen. Vervolgens zijn een aantal situaties beschreven die de kans op beknelling, guillotine en impact beperken. Indien een gebruiker om wat voor reden het hekwerk uit de handen laat vallen moet de kans op een ernstige verwonding voor het kind in het product of eronder spelend gering zijn. Een van de oplossingen is door ervoor te zorgen dat er geen vrije val aanwezig is van de uitvalbeveiliging. Een tweede optie is ervoor te zorgen dat er geen gaten zijn in het deel waar de uitvalbeveiliging zich langs beweegt.

Een derde optie is ervoor te zorgen dat de energie van een vallende uitvalbeveiliging beperkt is en ervoor te zorgen dat er altijd een opening groter dan 230 mm overblijft als de uitvalbeveiliging naar beneden valt. Er is op dit moment geen antwoord te vinden op de vraag bij welke energie hoofdletsel optreedt. Indien de uitvalbeveiliging zonder enige remming of onderbreking naar beneden kan vallen wordt dit NIET gezien als een beperking van de energie en wordt niet aan de gestelde eis voldaan.

Vallen van hoogte

Stretchers mogen alleen een opstaande rand hebben om de matras op zijn plaats te houden, een hogere opstaande rand verhoogt de schijnveiligheid.

Om te bepalen op welk deel van de zijde een kind kan staan, kan gebruik gemaakt worden van de ‘footholdtest’ beschreven in de EN 1930: 2000 amendement A1.

Een valhoogte van 900 mm is afkomstig van: onderste bedbodem van 200 mm boven het vloeroppervlak+ + minimale opklimbare hoogte van 600 mm + een marge van 100mm = 900. Deze hoogte komt ongeveer overeen met de hoogte van de bedjes die gebruikt worden in de particuliere sector.

Bij hoge boxen kan volstaan worden met een uitvalbeveiliging van 600 mm. Omdat kinderen hier niet langdurig zonder toezicht in verblijven en omdat het gebruik van een box voor kinderen tot ongeveer 18 maanden is.

Bedden met een bedbodem hoger dan 200 mm moeten voorzien zijn van een uitvalbeveiliging, de kans op ernstig letsel bij vallen onder deze hoogte wordt gering geacht.

Bedden met een laagst overklimbaar punt hoger dan 900 mm mogen niet uitklimbaar zijn. Dit houdt in dat als een bedje gemeten vanaf de vloer tot aan het laagste punt van het hekje lager is dan 900 mm, dat het bedje een gewoon hekje van 600 mm mag hebben. Is deze afstand echter groter, dan mag geen enkel kind tot 4 jaar (leeftijd kinderopvang) er overheen kunnen klimmen. Er zijn diverse mogelijkheden om hieraan te voldoen; dit kan door het aanbrengen van een dakje op het product, doordat het product begrensd wordt door het plafond of door een uitvalbeveiliging van 1400 mm aan te brengen. Kinderen tot vier jaar blijken niet in staat te zijn over een hekwerk met dergelijke hoogte te klimmen (CEN/TR 13387:2004)

Er is onderscheid gemaakt tussen sluiten en vergrendelen. Een leidster moet in staat zijn om met één hand het product te sluiten. Het product moet in deze stand het kind veilig in zijn bed kunnen houden. Een kind dat tegen de uitvalbeveiliging (hekje) aan rolt moet worden tegenhouden door deze uitvalbeveiliging in de gesloten toestand. Dit is een passieve situatie, niet een situatie waarbij het kind het hekje opzettelijk probeert te openen, de beveiliging hiervoor wordt door de vergrendeling gerealiseerd. Want na het sluiten moet de leidster het product bewust vergrendelen. Aan deze vergrendeling zijn eisen gesteld, dit vergrendelen mag wel met twee handen. Het moet wel duidelijk zichtbaar zijn dat het product vergrendeld is of niet.

Sterkte

De producten in kindercentra worden regelmatig verplaatst naar een andere ruimte daarom moet ervoor gezorgd worden dat de verbindingen ook na een aantal keren demonteren voldoende sterkte bieden, zelftappende schroeven zijn daarom niet toegestaan op die verbindingen tussen kopse kanten, zijwanden, daken en bedbodems.

De bodem mag niet door een kind in het onderste bed kunnen worden opgetild of door een kind dat zich onder de hoge box bevindt.

Een bed of box wordt 4 keer geopend en dicht gedaan per dag, over een heel jaar is dit 1000 maal. Bij een gebruiksperiode van 5 jaar is dit 5000 keer. Hierbij moet een veiligheidsmarge worden opgeteld, vandaar 6000 keer. De vergrendeling gebruik je alleen bij het kind erin leggen, dus maar in de helft van de gevallen.

Ventilatie

De bedbodem moet voldoende en over het hele oppervlak luchtdoorlaatbaar zijn. Er zijn echter geen duidelijke richtlijnen om te bepalen wat voldoende is.

Regeling
Warenwetregeling nadere eisen kinderbedden en -boxen
Soort
Ministeriële regeling
Geldend vanaf
01-01-2025
BWB-id
BWBR0024262
Versie
2025-01-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl