wetzoeker

Pachtwet 1958 Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Pachtaangelegenheden vanaf 1945 (Minister van Financiën)

Na de oorlog waren regering en parlement van mening dat een nieuwe wet het Pachtbesluit zou moeten vervangen, niet alleen omdat dit buiten het parlement om tot stand was gekomen, maar ook omdat het te eenzijdig de belangen van de pachter beschermde. Voor de Pachtwet die in 1958 in werking trad werd het Besluit van 1941 als uitgangspunt genomen. Er was dus geen sprake van een terugkeer naar de grotere contractvrijheid van de Pachtwet 1937.

De wetgever wilde met de Pachtwet 1958 ‘goede pachttoestanden’ bereiken.

5 Memorie van Toelichting wetsontwerp 1954–1955, 3884, nr. 3.

Daartoe had men een drieledige doelstelling voor ogen:

– Beschermen van de pachter en rechtszekerheid bieden voor wat betreft de bedrijfscontinuïteit en daardoor uitzicht bieden op een behoorlijke exploitatie van de grond.

– Rekening houden met de belangen van de verpachter.

– Waarborgen van het algemeen landbouwbelang, los van de belangen van de pachter en de verpachter.

De wet bouwde voort op de gedachte dat continuïteit van het gebruik van grond en een redelijke prijsvorming gewaarborgd moesten worden. Op sommige punten werd de rechtspositie van de pachter versterkt. Zo werd bijvoorbeeld in het recht op indeplaatsstelling en het recht van vererving voorzien. Overeenkomsten werden voortaan van rechtswege verlengd. Op andere punten werd echter meer dan voorheen rekening gehouden met de belangen van de verpachter. Een voorbeeld hiervan is de vaststelling van de pachtprijzen. Het uitgangspunt van het Pachtbesluit 1941 – dat de pachter in ieder geval een redelijke winst moet hebben, desnoods ten kosten van enig rendement van de verpachter – werd vervangen door het criterium dat van de winst, na aftrek van de pachtprijs, niet alleen voor de pachter maar ook van de verpachter een redelijk deel zou moeten overblijven.

De grotere bemoeienis van de overheid met de pacht in de Pachtwet 1958 was ook in de pachtprijsbeheersing terug te vinden. Voortaan zou de regering het prijsbeleid rechtstreeks centraal bepalen via algemene regels (pachtnormen) op grond van de in de wet gegeven maatstaf. De regering achtte de pachtnormen van groot belang voor een juiste verdeling van een deel van het nationaal inkomen, alsmede voor het economisch en sociaal bestel van het land. Zij wilde bereiken dat aan beide partijen een redelijk deel van de winst zou toekomen. De grondkamers

6 Van 1945 tot 1958 droeg de grondkamer de verantwoordelijkheid voor de pachtprijs en voor de oorlog was het de pachtrechter.

zouden pachtovereenkomsten in concreto toetsen aan de door de regering vastgestelde pachtnormen.

Met de Pachtwet 1958 is ook de landbouwkundige toetsing ingevoerd.

7 Pachtwet-1958, uitgave Kluwer, p. 536.

Hoewel sinds het Pachtbesluit 1941 al een toetsing van de algemene belangen van de landbouw bestond,

8 idem p. 302.

werd deze door de regering niet voldoende geacht. De landbouwkundige toetsing heeft als doel om de, uit landbouwkundig oogpunt, ongewenste gevolgen van de pachtovereenkomst ten aanzien van de grond te voorkomen.

9 idem p. 307.

Het gaat bij deze toetsing om de structuur van het afzonderlijke bedrijf, om het behoud van structuurverbeteringen als gevolg van ruil- en herverkaveling in de IJsselmeerpolders en om het tegengaan van ontwikkelingen die tot versnippering leiden of aan structuurverbeteringen in de weg staan.

10 GEO-onderzoek, p. 10.

De grondkamers waren bij deze landbouwkundige toetsing, als gevolg van de Pachtwet 1958, aan nauwkeuriger en dientengevolge stringenter voorschriften gebonden.

11 Pachtwet-1958, uitgave Kluwer, p. 290a.

Zij bleven echter volledig vrij. De regering miste elke zeggenschap over de grondkamers met betrekking tot de landbouwkundige toetsing (zoals ze deze ook miste ten aanzien van buitensporige verplichtingen).

12 idem, p. 302.

De grondkamer hoefde zich bij de landbouwkundige toetsing dus niet te houden aan regels, die bij AMvB’s waren gesteld, in tegenstelling tot de toetsing met betrekking tot de pachtprijs.

13 idem, p. 254.

In de jaren ’60 is het voorkeursrecht van de pachter in de Pachtwet ingevoegd. Dit hield verband met de expiratie van de Wet vervreemding van landbouwgronden, waarin dit recht was opgenomen. De overheid wilde dit recht handhaven, omdat zij het duurzaam gebruik van de grond door één persoon gewenst achtte, zowel omwille van het algemeen belang als uit het oogpunt van billijkheid jegens de gebruiker.

In de jaren ’80 werd de maatschappij zich meer en meer bewust van de betekenis van de landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarde van het agrarisch cultuurlandschap en van het gevaar dat dit landschap zou verdwijnen als gevolg van ontwikkelingen in de agrarische bedrijfsvoering zoals schaalvergroting en mechanisering. Als uitvloeisel van deze ontwikkeling werd begin jaren ’90 in de Pachtwet de mogelijkheid opgenomen om via de pachtovereenkomst natuur- en landschapsbeheer uit te voeren in landbouwgebieden en reservaten.

Regeling
Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Pachtaangelegenheden vanaf 1945 (Minister van Financiën)
Soort
Archiefselectielijst
Geldend vanaf
16-07-2008
BWB-id
BWBR0024172
Versie
2008-07-16_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl