3.3.1 — De periode tot 1985 (deel 1) Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Gezondheid en welzijn van dieren vanaf 1945 (Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, 2008)
De periode tot 1985
De keuring van vlees was aan het begin van de twintigste eeuw een aangelegenheid van de consument zelf. Dit paste in het liberale gedachtegoed van die tijd. In die tijd bestonden er al wel gemeentelijke keuringsdiensten van waren. De eerste gemeentelijke keuringsdienst van waren is al in 1858 door de gemeente Amsterdam opgericht. De doelstelling van die keuringsdienst was het controleren van drinkwater dat bestemd was voor de consument. Een groot aantal steden volgde het voorbeeld van Amsterdam met de oprichting van zo’n keuringsdienst.
De afwezigheid van een landelijke keuring betekende echter toch een gevaar voor de volksgezondheid. Er zijn verhalen bekend van particulieren die hun reeds rottende kadavers inleverden bij de plaatselijke worstfabriek, zonder dat er hierbij enige vorm van keuring of controle aan te pas kwam.
Mede hierdoor veranderde de houding van de overheid langzaam. In 1902 kwam er een facultatieve keuring van exportvlees die in 1907 werd omgezet in een verplichte keuring.
De eerste wet die eisen stelde aan de kwaliteit van vlees en vleesproducten was de in 1919 vastgestelde Vleeskeuringswet (Stb. 1919, 524), die in 1922 volledig in werking trad.
De Vleeskeuringswet kwam tot stand in de periode na de mislukte opstand van Troelstra, die een poging deed om in Nederland een revolutie van de grond te krijgen. Als reactie daarop maakte de Nederlandse regering grote haast met het opzetten van sociale wetgeving.
Ondanks het feit dat als algemeen doel van de Vleeskeuringswet werd geformuleerd het weren van ondeugdelijk vlees, diende de wet tevens om belemmeringen in de vleeshandel op te heffen, die ontstaan waren door verschillen in gemeentelijke verordeningen. De Veterinaire Inspectie van de Volksgezondheid hield toezicht op de naleving van de Vleeskeuringswet.
Een eerste echte wettelijke regeling voor het keuren van waren kwam er na de Eerste Wereldoorlog. Tijdens deze oorlog kwamen surrogaten meer en meer in zwang en werd er vaak minderwaardig en schadelijk voedsel verkocht aan voornamelijk de minst draagkrachtigen. Deze bittere ervaring resulteerde in de Warenwet van 1919 (Stb. 581), die in beginsel tot doel had, de bescherming van de volksgezondheid en de bevordering van de eerlijkheid in de handel.
Maar in de Warenwetgeving werden niet alleen voorschriften opgenomen over de veiligheid en samenstelling van levensmiddelen, maar op grond van het Besluit van 26 maart 1921 (Stb. 1921, 638) ‘tot aanwijzing van artikelen, welke volgens artikel 1, van de Warenwet 1919 (Stb. 1919, 581) zullen worden beschouwd als ‘waren’ in de zin der wet’, werden ook grondstoffen voor de bereiding van levensmiddelen opgenomen en ook alle artikelen die bestemd waren om te worden gebruikt voor het verpakken van levensmiddelen. Diverse materialen, stoffen en producten die weinig met levensmiddelen te maken hebben, zoals behangsels, zowel van papier als van andere grondstof vervaardigd, meubelstof en gordijnstof, kinderspeelgoed, caoutchoucartikelen voor zover zij gebruikt worden voor de voeding van kinderen, toilet- en cosmetische artikelen, eet- en drinkgerei en gasmaskers, kapok en beddengoed,etc. moesten tevens voldoen aan eisen die de Warenwet stelde.
Met het in werking treden van de Warenwet werd het voor de overheid mogelijk om keuringsgebieden vast te leggen en dus gemeenten te verplichten om een keuringsdienst in te stellen of de werkzaamheden van zo’n dienst te ondersteunen. Het toezicht op de naleving van de Warenwet kwam te liggen bij deze gemeentelijke keuringsdiensten van waren.
De Keuringsdiensten van Waren (vanaf 1858–1985)
De eerste keuringsdienst van waren werd zoals in de inleiding vermeld al in 1858 door de gemeente Amsterdam opgericht. De doelstelling van die keuringsdienst was in eerste instantie het controleren van drinkwater dat bestemd was voor de consument. Maar naarmate de jaren verstreken ging de keuringsdienst op last van de gemeente steeds meer producten, zoals kaas en brood, controleren. In het begin was de kwaliteit van globaal veertig procent van de producten onder de maat, maar al snel werd dit percentage bijna gehalveerd. Een groot aantal steden volgde dan ook het voorbeeld van Amsterdam met de oprichting van zo’n keuringsdienst.
Door de crisis in de jaren dertig werd het aantal keuringsdiensten middels een wijziging van de Warenwet d.d. 28 december 1935 (Stb. 1935, 793) teruggebracht tot zestien. Ons land werd toen verdeeld in zestien keuringsgebieden, zodat in elke gemeente door de Keuringsdienst van Waren van de centrumgemeente controle op de bereiding, behandeling en verkoop van eet- en drinkwaren plaatsvond.
De gemeenten stelden op grond van de Warenwet tot 1986 een algemene verordening vast inzake de vervaardiging, bewerking, verwerking etc. van waren. De minister waaronder Volksgezondheid ressorteert stelt middels Algemene Maatregelen van Bestuur de kaders op. Daarin staan de eisen waaraan waren moeten voldoen.
In de loop der jaren werden de taken van de Keuringsdiensten van Waren op het gebied van de handhaving van wetgeving verder uitgebreid. Zo werd naast de controle op de naleving van de Warenwet, ook de handhaving van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962, de Vleeskeuringswet, de Kernenergiewet, de Wet Milieugevaarlijke Stoffen en de Verordeningen van de Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisaties aan de Keuringsdiensten van Waren opgedragen.
De Afdeling Technische Onderzoeken (ATO) is de voorloper van de ontwikkeling van Productveiligheid. ATO was geplaatst bij de Economische Controledienst onder verantwoordelijkheid van het Min. van Economische Zaken. Voor 1976 werden elektrotechnische producten op
veiligheid beoordeeld op basis van Nederlandse wetgeving. Sinds 1976 werd dat voortgezet op basis van implementatie van Internationale wetgeving. Sinds 1990 is ATO geplaatst bij de Keuringsdienst van Waren onder verantwoordelijkheid van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
In 1986 besloot de rijksoverheid de Keuringsdiensten om te vormen tot één gedeconcentreerde Rijkskeuringsdienst van Waren binnen het ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur.
In 1991 wordt deze dienst opgenomen in de Inspectie Gezondheidsbescherming (IGB). Zij wordt samen met de Inspectie voor de Levensmiddelen, de Keuring van Waren en de Inspectie voor de Drankwetgeving tot de Inspectie voor de Gezondheidsbescherming samengevoegd. De achtergrond van deze bestuurlijke centralisatie was onder andere de toenemende invloed van de Europese regelgeving op aangelegenheden betreffende waren. De EU kondigt allerlei richtlijnen af die in de nationale wetgeving opgenomen dienen te worden, zoals bijvoorbeeld over etikettering van verpakte levensmiddelen en over kleurstoffen voor cosmetica.
De ‘Inspectie, belast met het toezicht op Levensmiddelen’ is gestart met ingang van 1 januari 1962. Deze inspectie is een ‘afsplitsing’ van de Inspectie voor de Geneesmiddelen, toen nog Pharmaceutische Inspectie geheten. In de eerste jaren van het bestaan van de inspectie zijn de regionale inspecteurs van de Pharmaceutische Inspectie tegelijkertijd regionaal inspecteur voor deze nieuwe inspectie. In 1967 worden er drie regionale inspecties op het terrein van de levensmiddelen gevormd. De ambtsgebieden van deze regionale inspecteurs vallen samen met het gebied van meerdere, aan elkaar grenzende, Keuringsdiensten van Waren. Deze situatie blijft tot 1990 gehandhaafd.
De ‘Inspectie voor de Drankwetgeving’, tot 1967 bekend als ‘Inspectie, belast met het toezicht op de naleving van de Drankwet’, bestaat sinds 1904. Deze inspectie kent geen hoofdinspecteur. Aan het hoofd staat een inspecteur. Sinds 1973 is het hoofd van de inspectie tevens hoofd van het Bureau Drankwetzaken van het ministerie van WVC (voorheen: VoMil). Het aantal districten (regio’s) varieert in de jaren 1940-1990 tussen drie en zes. De ‘regionale inspecteurs’ zijn toegevoegde ambtenaren.
De Veterinaire Inspectie van de Volksgezondheid (1920–1997)
- Regeling
- Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Gezondheid en welzijn van dieren vanaf 1945 (Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, 2008)
- Soort
- Archiefselectielijst
- Geldend vanaf
- 09-07-2008
- BWB-id
- BWBR0024116
- Versie
- 2008-07-09_0