wetzoeker

5.1.3 Minister van Verkeer en Waterstaat Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Media, Letteren en Bibliotheken vanaf 1945 (Nederlands Literair Productie- en Vertalingenfonds)

De Minister van Verkeer en Waterstaat was verantwoordelijk voor de eerste mediawet, de Telegraaf- en telefoonwet (11-1-1904, Stb. 7). Onder zijn verantwoordelijkheid kwam nog het Tijdelijk telegraaf-, telefoon- en radiobesluit (17-9-1944, Stb. E188) tot stand, maar bij wijziging van de Telegraaf- en telefoonwet 1948 (I490) ging de verantwoor-delijkheid, voor zover het de bepalingen betrof inzake de voorbereiding, samenstelling en uitvoering van voor het publiek bestemde radio- en televisieprogramma’s (art. 3 ter en quater) over op de Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen. Aldus komen in 1955 en 1965 het Televisiebesluit resp. het Radiobesluit tot stand. In 1967 worden de omroepregelingen geheel in de nieuwe Omroepwet (Stb. 176, 1967) en de wet op de Omroepbijdragen (1968, Stb. 687) opgenomen waardoor de desbetreffende bepalingen in de Telegraaf- en telefoonwet werden geschrapt. De opvolgers van deze wet, de wet op de Telecommunicatievoorzieningen (1989) en de Telecommunicatiewet (1998), bevatten voor het beleidsterrein omroep en media dan ook geen handelingen meer (Zie ook 3.2 – Telecommunicatie, en 7.5)

De Omroepwet vereist bij tal van handelingen van de Minister van Cultuur de medewerking van de Minister van Verkeer en Waterstaat, ‘belast met de zorg voor het Staatsbedrijf der PTT’. Voorbeelden hiervan zijn de medewerking bij uitvoering van bepalingen betreffende doorgifte van programma’s en de overbrenging van uitzendingen door middel van een of meer draadomroeprichtingen. Ook worden samen met de Minister, belast met het Staatsbedrijf der PTT, de kosten vastgesteld die aan de inning van het kijkgeld zijn verbonden. Hieraan ligt ten grondslag dat in de wet (de Wet op het Kijkgeld) een bevoegdheid voor het Staatsbedrijf van de PTT is geregeld.

Na vervanging van de Telegraaf-en Telefoonwet in 1989 komt de Minister van Verkeer en Waterstaat in dit BSD alleen nog als actor voor,voor zover hij handelingen verricht op grond van de Mediawet. Hij heeft overigens na 1948, evenals de hierna volgende actoren, geen bemoeienis met de Media als drager van cultuurgoed en evenmin de zorg voor de instandhouding daarvan. De hier bedoelde actoren hebben een taak, voor zover die althans in de mediawetgeving is vastgelegd, ten aanzien van de realisering van de arbeidsrechtelijke en technische randvoorwaarden. In de meeste gevallen vloeit die taak voort uit de medewerkingseis. In brede zin zijn hun taken beschreven in de RIO’s en BSD’s die hun eigen beleidsterreinen betreffen.

In de Omroepwet wordt de Minister van VenW, voor zover hij met de bovengenoemde aangelegenheden was belast, aangeduid met ‘Onze Minister belast met de zorg voor het Staatsbedrijf der PTT’. Dit hangt nauw samen met het feit dat het Staatsbedrijf der PTT altijd onder de Minister van Verkeer en Waterstaat heeft geressorteerd, tot de verzelfstandiging ervan in 1989. Daarna is uitsluitend sprake van de Minister van VenW, maar het gaat hierbij om een en dezelfde actor.

Hetzelfde is het geval met de Minister van Cultuur in de Omroepwet. Hierin wordt hij artikel 2 lid 1a (Algemene bepalingen) ‘Onze Minister, belast met de zaken van de omroep’genoemd met het oog op zijn specifieke taken en bevoegdheden op grond van de Omroepwet.

Regeling
Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Media, Letteren en Bibliotheken vanaf 1945 (Nederlands Literair Productie- en Vertalingenfonds)
Soort
Archiefselectielijst
Geldend vanaf
30-03-2008
BWB-id
BWBR0023672
Versie
2008-03-30_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl