Kunsten Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Media, Letteren en Bibliotheken vanaf 1945 (Nederlands Literair Productie- en Vertalingenfonds)
Bij de afbakening van MLB met andere beleidsterreinen valt, althans wat letteren betreft, de begrenzing dan wel het raakvlak met het beleidsterrein Kunsten het meest in het oog. Als scheppende kunst staat letteren immers op één lijn met de andere scheppende kunsten als beeldende kunsten, de toonkunst, architectuur enz. De in verschillende opzichten parallel lopende beleidsuitgangspunten van letteren en bibliotheken én het sterk ‘mediale’ karakter van de uitoefening van deze discipline zijn overwegingen geweest om het deelbeleidsterrein letteren bij Media en Bibliotheken te trekken. Dat laat echter onverlet dat veel wet- en regelgeving die op de kunsten en de kunstbeoefening in het algemeen betrekking hebben onverkort ook van toepassing zijn op letteren. Dit geldt de Fondsenwet scheppende kunsten (Stb. 1981, 355), de Wet op het specifiek cultuurbeleid (Stb. 1993, 193) en het Bekostigingsbesluit cultuuruitingen (Stb. 1994, 473). Deze wetten worden in extenso behandeld in het Rapport Institutioneel Onderzoek (RIO) betreffende het beleidsterrein Kunsten: ‘Volgens de regelen der kunst’. Een institutioneel onderzoek naar het handelen van overheidsorganen op het beleidsterrein kunsten, 1965–1999 (PIVOT-rapport 71).
De adviesraden die zich bezighouden met het terrein van de letteren zijn de Raad voor de Kunst en zijn opvolger de Raad voor Cultuur. Voor de behandeling hiervan wordt verwezen naar het hiervoorgenoemde RIO Kunsten respectievelijk het RIO betreffende het beleidsterrein Cultuurbeheer: ‘Cultuurbeheer’. Een institutioneel onderzoek naar het cultuurbeheer van de rijksoverheid in de periode 1945–2000 (PIVOT-rapport 125).
Alleen voor zover hierin regelingen voorkomen die specifiek betrekking hebben op letteren worden deze hier behandeld. Dit is bijvoorbeeld het geval met de op grond van de Fondsenwet ingestelde letteren-, productie- en vertalingenfondsen.
– Telecommunicatie
Het mediabeleid, te beginnen met telefonie en telegrafie en later ook radio, was allereerst in handen van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat. Het waren immers ook transportmiddelen, ditmaal voor berichtenverkeer en als zodanig onderwerp van beleid en regelgeving van dit Ministerie. Het hielp de technische randvoorwaarden te verwezenlijken die nodig waren om dit verkeer, in het algemeen belang, mogelijk te maken, bereidde maatregelen voor en voerde ze uit om de diverse belangen op elkaar af te stemmen.
De Minister van Verkeer en Waterstaat was verantwoordelijk voor de eerste mediawet, de Telegraaf- en telefoonwet van 11-1-1904 (Stb. 7) en het Tijdelijk Telegraaf-, telefoon- en Radiobesluit van 1944 (Stb. E188). 1n 1948 ging zijn verantwoordelijkheid voor wat betreft de voorbereiding, samenstelling en uitvoering van voor het publiek bestemde radio- en televisieprogramma’s over op de Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen.
Het beleidsterrein van de Minister van Verkeer en Waterstaat voor wat zijn aandeel in de telecommunicatie betreft wordt beschreven in het RIO ‘Telecommunicatie en post in Nederland’, 1945–1990. Een institutioneel onderzoek op het beleidsterrein telecommunicatie en post, 1945–1990 (PIVOT-publicatie nr. 4).
– Rijksbegroting
In dit BSD worden begrotingsaangelegenheden beschreven, voor zover het specifiek op het letterenbeleid en de uitvoering ervan betrekking heeft (subsidiëring, uitkeringen, prijzengelden). Voor de procedure van het vaststellen van de rijksbegroting voor het kunstenbeleid in het algemeen wordt verwezen naar het RIO ‘Per slot van rijksrekening’. Een institutioneel onderzoek naar het beleidsterrein beheer van de rijksbegroting, 1940–1993 (PIVOT-publicatie nr. 15).
– Auteursrecht
Het Ministerie van Justitie is verantwoordelijk voor de Auteurswet en de Wet op de naburige rechten. Met deze wetgeving wordt beoogd de creatieve prestaties op het gebied van letterkunde, wetenschap of kunst te beschermen door een vergoeding te geven aan de maker ervan voor de uitlening, duplicering en verhuur van hun werk. Dit is beschreven in het RIO ‘Ere wie ere toekomt’. Een institutioneel onderzoek naar het handelen van de overheid op het beleidsterrein auteursrecht, (1912) 1945–2000 (PIVOT-publicatie nr. 118).
– Wetenschapsbeleid
– Wetenschappelijk onderwijs
Het bibliotheekbeleid valt uiteen in enerzijds de zorg voor het openbare bibliotheekwerk, gericht op en bestemd voor de algemene gebruiker en anderzijds het wetenschappelijke bibliotheekwerk, dat wordt uitgeoefend binnen wetenschappelijke instituten of verbonden is aan instellingen voor wetenschappelijk onderwijs en HBO. Als zodanig fungeren de bibliotheek van de Koninklijke Nederlandse Akademie voor Wetenschappen (KNAW), de Koninklijke Bibliotheek (KB) en de Universiteits- en HBO-bibliotheken. De eerste twee bibliotheekinstellingen vallen onder de verantwoordelijkheid van de Minister voor Wetenschapsbeleid, voor de laatstgenoemde bibliotheken is de Minister van Onderwijs en Wetenschappen verantwoordelijk. Dit blijft onveranderd na de departementale herindeling in 1994; het beleidsterrein openbare bibliotheek, dat met ‘Cultuur’ naar Onderwijs en Wetenschappen was overgegaan, bleef onder Cultuur vallen.
De voornoemde beleidsterreinen Wetenschapsbeleid en Wetenschappelijk onderwijs worden in twee afzonderlijke Rapporten Onderzoek behandeld:
1. het RIO ‘Wetenschapsbeleid’ 1945–1999 (PIVOT-publicatie nr. 96) en
2. het RIO ‘Een academische zaak’ deel II, 1960–1997 (PIVOT-publicatie nr. 55).
- Regeling
- Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Media, Letteren en Bibliotheken vanaf 1945 (Nederlands Literair Productie- en Vertalingenfonds)
- Soort
- Archiefselectielijst
- Geldend vanaf
- 30-03-2008
- BWB-id
- BWBR0023672
- Versie
- 2008-03-30_0