wetzoeker

2.5.3 Taken, 1965–1996 Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Letteren vanaf 1965 (Stichting fonds voor de Letteren)

Artikel 2 van de statuten (1965) omschreef de doelstelling als volgt: ‘Het bevorderen van de Nederlandse letteren, onder andere door het behartigen van de belangen van het schrijverschap, door het verlenen van opdrachten, door het met een ideëel doel toekennen van stipendia en additionele honoraria, en op alle andere wettige wijzen die voor dit doel bevorderlijk zijn’. De centrale doelstelling van het fonds is al die tijd ongewijzigd gebleven.

De belangrijkste instrumenten van het Fonds zijn werkbeurzen, aanvullende honoraria en eregelden. Het eregeld is te danken aan de Schrijversprotesten van de zestiger jaren van de vorige eeuw. Eregelden voor letterkundigen werden in die jaren door de ministers van OKenW en later CRM aan kunstenaars met een grote staat van dienst toegekend. Met de democratiseringsgolf van de jaren zeventig werden de eregelden opgeheven en verdween de regeling in de ministeriële ijskast. Begin jaren ’90 werd deze regeling herontdekt door het Fonds voor de Letteren en sinds 1992 heeft het bestuur van het Fonds voor de Letteren de opdracht Eregelden toe te kennen aan schrijvers en vertalers met grote verdiensten voor de Nederlandstalige literatuur. Inmiddels ontvangen zo’n 30 schrijvers en vertalers op voorspraak van een commissie een eregeld. Bij de beoordeling is de kwaliteit van het werk van de aanvrager doorslaggevend.

Aan het verlenen van subsidies was tot 1992 één voorwaarde verbonden. Alleen auteurs en vertalers die de Nederlandse nationaliteit bezaten of Nederlands ingezetene waren, konden in aanmerking komen voor subsidies van het fonds.

36 Huishoudelijk Reglement, art. 6a.

In 1992 werd deze voorwaarde, in het kader van Europese regelgeving, uit de statuten geschrapt. De werkingssfeer blijft uiteraard beperkt tot Nederlands- en Friestalige publicaties.

De procedures betreffende het toekennen van subsidies werden vastgelegd in regelingen.

De regelingen worden voortdurend aangepast aan de ontwikkelingen in het letterenbeleid. Sinds 1987 zijn de regelingen opgenomen en uitgewerkt in het Huishoudelijk Reglement. In 1997 werd een Algemeen Reglement ingevoerd. Het bepaalt de algemene procedure bij de subsidieverdeling: doel, werkingssfeer, subsidievoorwaarden, aanvraagprocedure en beoordelingsprocedure.

Vanaf 1972 tot 1985 was het fonds verantwoordelijk voor de Regeling Uitleenvergoeding. Deze regeling was tot stand gekomen na een compromis tussen voorstanders en tegenstanders van een wettelijke regeling. Marga Klompé, de toenmalige minister van CRM, wees een wettelijke regeling van de hand. In een wettelijke regeling zouden ook de rechten van buitenlandse auteurs moeten worden beschermd (in overeenstemming met de Berner Conventie). Als doekje voor het bloeden besloot de minister een afzonderlijk bedrag beschikbaar te stellen aan het Fonds voor de Letteren.

In 1971 werd een belangrijke aanzet tot verwezenlijking van vergoedingen aan schrijvers voor het uitlenen van hun boeken voor de bibliotheken gerealiseerd door de instelling van een kleine commissie die overleg voerde met vertegenwoordigers van de Nederlandse Bibliotheekdienst (NBD).

37 De leden van de commissie waren: P. Brand, J. Klant, P.J. van Swighem en mw. W. Lelieveld.

In mei 1971 verscheen het rapport Voorstel voor een regeling uitleenvergoeding van de commissie. Op 4 augustus 1972 ging de minister van CRM akkoord met de door het fondsbestuur bekrachtigde Regeling Uitleenvergoeding.

38 Brief van de minister van Recreatie, Cultuur en maatschappelijk Werk van 4 augustus 1972, afdeling K/TL –U, nr. 124.648.

In 1985 werd in opdracht van de minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur (WVC) een onderzoek verricht naar de betekenis van het Fonds voor de Letteren in het algemeen en naar de inkomenspositie van auteurs en vertalers. Het onderzoek werd uitgevoerd door het sociaal-wetenschappelijke instituut IVA te Tilburg. Het eindrapport Schrijvers en Fonds constateerde dat de inkomsten van literaire auteurs en vertalers niet of nauwelijks voldoende waren voor een volledige en zelfstandige beroepsuitoefening. In het kader van de ‘kunstenplanadvisering’ presenteerde het fonds in 1988 zijn beleidsplan 1989–1992, dat voortbouwde op het rapport Schrijvers en Fonds. De belangrijkste doelstelling van het beleid 1989-1992 was het verstrekken van ruimere subsidies voor kwalitatief goed werk van schrijvers en vertalers.

Regeling
Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Letteren vanaf 1965 (Stichting fonds voor de Letteren)
Soort
Archiefselectielijst
Geldend vanaf
14-03-2008
BWB-id
BWBR0023600
Versie
2008-03-14_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl