wetzoeker

2.5.1 Rijksbeleid (deel 1) Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Letteren vanaf 1965 (Stichting fonds voor de Letteren)

‘Filantropie jegens oude armen’, zo typeerde Boekman het vooroorlogse letterenbeleid.

De vroegste vorm van overheidsbeleid op het gebied van de letteren was de instelling van de zogenaamde eregelden. Een enkele keer werden in de vooroorlogse periode literaire uitgaven gesubsidieerd, zoals de monumentale uitgave van het complete werk van Joost van den Vondel door de Wereldbibliotheek in 1927.

Het Letterenbeleid neemt in feite werkelijk een aanvang na de Tweede Wereldoorlog. Adviescommissies, zoals de Rijkscommissie van Advies voor het verlenen van opdrachten aan scheppende kunstenaars op het gebied der letterkunde en de Rijkscommissie van Advies voor het verlenen van opdrachten aan scheppende kunstenaars op het gebied der literatuurhistorie werden in het leven geroepen. Over de samenstelling van deze commissies mocht de (Voorlopige) Raad voor de Kunst advies uitbrengen. In 1947 werd de P.C. Hooftprijs, de Nederlandse staatsprijs voor de letterkunde ingesteld en in 1956 de Prijs der Nederlandse letteren.

5 De hulpbehoevende mecenas: Particulier initiatief, overheid en cultuur 1940–1990 onder redactie van C.B. Smithuijsen, Zutphen, 1990.

In de jaren vijftig van de vorige eeuw kwam er aandacht voor de zorg voor het nationale literaire erfgoed, via het subsidiëren van het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum (1954) en het Fries Letterkundig Museum en Documentatiecentrum (1959). In 1964 werd de Staatsprijs voor Kinder- en Jeugdliteratuur (Theo Thijssenprijs) ingesteld.

De bemoeienis van de overheid begon vanaf 1962 structurele vormen aan te nemen. Het beleid concentreerde zich op het bevorderen en het verspreiden van de Nederlandstalige literatuur in al haar verschijningsvormen. Deze toename van overheidsaandacht voor de literatuur was mede te danken aan de protestacties van letterkundigen in het najaar van 1962. Vijfenzestig schrijvers vroegen in een circulaire aandacht voor hun slechte materiële positie.

6 Pauline Micheels, Over de oprichting van het Fonds voor de Letteren, in: Het Schrijvershuis, (Fonds voor de Letteren).

Het schrijversprotest kan worden beschouwd als een episode in een langdurige vestigingsstrijd. Schrijvers organiseerden zich als beoefenaars van een zelfstandig beroep, met uitsluiting van amateurs, en vroegen de overheid om erkenning en bescherming, die een onbelemmerde uitoefening van hun beroep mogelijk moest maken. Het schrijversprotest is de geschiedenis ingegaan als een keerpunt in de naoorlogse verhouding tussen letterkundigen en de overheid.

Met de instelling van het Fonds voor de Letteren (1965) werd een belangrijk deel van de advisering en van de subsidietoewijzing bij dit fonds ondergebracht. Er kwamen andere regelingen bij, zoals de Regeling voor het aanvragen van subsidie ten behoeve van literaire debuten (1977).

Vanaf 1980 kwam er meer aandacht voor ‘leesbevorderingsbeleid’. In het kader van het Kunstenplan (1988-1992) werden door de rijksoverheid extra middelen beschikbaar gesteld voor gericht ‘leesbevorderingsbeleid’. Een van de instellingen die de rijksoverheid subsidieert is de Stichting Schrijvers School Samenleving (SSS). De SSS bemiddelt en adviseert bij het organiseren van lezingen door schrijvers. Hoofddoelstelling van SSS is de bevordering van het lezen, in het bijzonder van literatuur. Een van de belangrijkste middelen om die doelstelling te realiseren, is de organisatie van lezingen van schrijvers en dichters. SSS is advies- en bemiddelingsbureau voor deze activiteiten. SSS bemiddelt bij de organisatie van lezingen van schrijvers en dichters op scholen, in bibliotheken, voor culturele verenigingen, bedrijven en andere organisaties. SSS bemiddelt zowel voor auteurs voor volwassenen als voor jeugdboekenauteurs en illustratoren.

Op 9 september 1980 kwam het Verdrag tussen het Koninkrijk België en het Koninkrijk der Nederlanden inzake de Nederlandse Taalunie tot stand. Deze intergouvernementele organisatie heeft tot doel de integratie van Nederland en de Nederlandse gemeenschap in België op het terrein van de Nederlandse taal en letteren te bevorderen. Tevens is de Taalunie verantwoordelijk voor de organisatie en toekenning van enkele literaire prijzen, waaronder de driejaarlijkse Prijs der Nederlandse Letteren. De activiteiten van de Taalunie worden voor eenderde door Vlaanderen en voor tweederde door Nederland bekostigd. Het beleid van de taalunie wordt vastgesteld door het Comité van Ministers: de Vlaamse en Nederlandse bewindslieden voor onderwijs en cultuur. Een Interparlementaire Commissie, samengesteld uit tweeëntwintig Nederlandse en Vlaamse volksvertegenwoordigers controleert de Taalunie. Het adviesorgaan van de Taalunie is de Raad voor de Nederlandse Taal en Letteren.

In 1988 verscheen de eerste cultuurnota over het letterenbeleid, de Nota Letterenbeleid van minister D’Acona van het Ministerie van WVC, gevolgd in 1990 door de Letterenbrief. In deze beleidsnota’s werd het letterenbeleid als volgt geformuleerd: ‘het bevorderen van een bloeiend literair leven in Nederland waarvan de Nederlandse literatuur het belangrijkste onderdeel uitmaakt. Het behoud van het nationale literaire erfgoed en de bevordering van de ontwikkeling van de Nederlandse en Friese literatuur; het ontsluiten van de Nederlandse en Friese literatuur en het bevorderen van de participatie in de Nederlandse en Friese literatuur’.

7 Nota Letterenbeleid, p.11.

In de Letterenbrief van minister Hedy d’Acona (WVC) werd het inmiddels klassieke onderscheid gemaakt tussen het ‘specifiek letterenbeleid’ en het ‘generiek letterenbeleid’

Het specifiek letterenbeleid van de rijksoverheid heeft betrekking op het waarborgen van de productie van literair werk, het subsidiëren van de productie van minder gangbaar literair werk en debuten, het bevorderen van de toneelschrijfkunst en het toekennen van prijzen, beurzen en stipendia op het gebied van de letterkunde. Het generiek letterenbeleid bestaat uit marktaanvullende en marktcorrigerende maatregelen waar dat voor de vervulling van de culturele functie van het boek noodzakelijk is met medewerking van andere ministers. Onderdelen van generiek beleid zijn:

– Auteursrechtelijk beleid

Het belangrijkste generieke beleid waar de sector letteren mee te maken heeft, is de wetgeving inzake het auteursrecht, wettelijk geregeld in de Auteurswet 1912. Schrijvers en vertalers zijn beiden ‘makers’. In de Auteurswet wordt aan de ‘makers’ bepaalde bevoegdheden toegekend. Alleen de schrijver is bevoegd om te beslissen of een bepaald literair werk wordt uitgegeven of niet. De schrijver kan (financiële) voorwaarden verbinden aan zijn toestemming.

– Leenvergoeding

In 1963 stelde de Raad voor de Kunst de Commissie Uitleenrecht in onder leiding van L. Brummel. Uitgangspunt om de auteur financiële compensatie te verschaffen voor het feit, dat velen zijn werk lezen, zonder hem daarvoor te belonen. Dit feit hield een onbillijkheid in. Het thema van het uitleenrecht was al in 1953 onderdeel van bespreking in de Voorlopige Raad voor de Kunst. Een commissie bracht rapport uit naar aanleiding van plannen om de Auteurswet 1912 te herzien. In 1957 kwam het thema opnieuw aan de orde. De Raad voor de Kunst wilde een onderzoek naar de toepassingen van het uitleenrecht in de Scandinavische landen.

In haar eindrapport Het bibliotheekwezen en het Fonds voor de Letteren bepleitte de Commissie Uitleenrecht een wettelijke regeling.

8 De commissie ad hoc bestond uit L. Brummel (voorzitter), mw. M. Wijnstroom, N.A. Donkersloot, C. Reedijk, J. Starink en J. Kassies, secretaris van de Raad voor de Kunst.

Regeling
Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Letteren vanaf 1965 (Stichting fonds voor de Letteren)
Soort
Archiefselectielijst
Geldend vanaf
14-03-2008
BWB-id
BWBR0023600
Versie
2008-03-14_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl