2 — Algemene eisen Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie
Algemene eisen
Meetprotocol
2.1 Het meetprotocol van de productie-installatie bevat ten minste de volgende elementen:
a. beschrijving van de verschillende componenten van de productie-installatie, inclusief de verschillende hulpinstallaties;
b. beschrijving en schets van de systeemgrenzen van de productie-installatie zoals uitgewerkt in hoofdstuk 3;
c. beschrijving en schets van de bemetering van de productie-installatie;
d. beschrijving van de meters en meetmiddelen van elk van de meetinrichtingen;
e. beschrijving van het onderhoud van elk van de meetinrichtingen;
f. beschrijving van de apparatuur voor de opslag en de verwerking van de gegevens afkomstig van de meetinrichtingen;
g. beschrijving van de onnauwkeurigheid van elk van de meetinrichtingen;
h. beschrijving van de borging van de kwaliteit van de metingen;
i. beschrijving van de wijze van reparatie van meetgegevens en alternatieve meetmethoden in geval van storing van de meetinrichting;
j. beschrijving van de borging van de kwaliteit van de verwerking van de gegevens afkomstig van de meetinrichtingen;
k. beschrijving van de frequentie van ijking van elk van de meetinrichtingen;
l. voor koolstofdioxide-arme warmte: beschrijving van de toepassing en de bepaling van de geaggregeerde hoeveelheid nuttig aangewende warmte;
m. beschrijving van de methode voor de validatie van meetgegevens.
n. voor koolstofdioxide: een analyse van de potentiële situaties van afblazen, zoals om onderhoudsredenen en in geval van noodsituaties;
o. voor koolstofdioxide: een omschrijving van een goed gedocumenteerde methode ter berekening van de hoeveelheid koolstofdioxide die wordt afgeblazen;
p. voor koolstofdioxide: een geschikte methode voor de berekening van de hoeveelheid weggelekte koolstofdioxide bij lekkage-incidenten en gebaseerd op de richtsnoeren voor beste praktijken van de sector, onder meer met gebruikmaking van verschillen qua temperatuur- en drukgegevens in vergelijking met druk- en temperatuurwaarden in het geval van een intact netwerk.
Administratie
2.2 Bij het meetprotocol behoort een administratie waarin per meetinrichting de volgende gegevens worden geregistreerd:
a. fabricaat, type, fabrieksnummer en bouwjaar van de geïnstalleerde meetinrichtingen, meters en meetmiddelen;
b. kalibratiecertificaten van de meetinrichting en de meters en meetmiddelen daarvan;
c. het jaar waarin de meetinrichting is geïnstalleerd dan wel voor het laatst is gereviseerd;
d. het soort zegel waarmee de meetinrichting is verzegeld, dan wel de wijze van borging die voor de meetinrichting is aangebracht;
e. het jaar en de maand, waarin de meetinrichting voor het laatst is gecontroleerd;
f. het jaar en de maand, waarin de meetinrichting voor het laatst is geijkt;
g. de resultaten van de aan de meetinrichting uitgevoerde controles en ijkingen;
h. een overzicht van de functionarissen die bevoegd zijn metingen uit te voeren en meetinrichtingen te onderhouden respectievelijk te beheren. Aanvullend geldt voor koolstofdioxide-arme warmte norm NEN-EN 1434-2:2015+A1:2018. De producent is verantwoordelijk voor het actueel houden van deze administratie.
Onzekerheid
2.3 De onzekerheid van een meetgegeven wordt berekend uit de onnauwkeurigheden van de afzonderlijke meetinrichtingen op de wijze als beschreven in de ‘Guide to the expression of uncertainty in measurement’ (ISO/IEC Guide 98-3:2008).
Meetrapport
2.4 Het meetrapport bevat een overzicht per maand van de gemeten hoeveelheden geleverde waterstof, netto nuttige aangewende koolstofdioxide-arme warmte, koolstofdioxide of geavanceerde hernieuwbare brandstof of gebruikte elektriciteit voor de productie van koolstofdioxide-arme warmte met een procesgeïntegreerde warmtepomp die de systeemgrens van de productie-installatie is gepasseerd.
2.5 Het meetrapport bevat voor een productie-installatie voor koolstofdioxide-arme warmte tenminste de meetgegevens van in- en uitgaande warmtestromen en in aanvulling daarop het aantal draaiuren.
2.6 Het meetrapport bevat een overzicht van de in de productie installatie over de meetperiode ingezette energiedragers, gerapporteerd op zodanige wijze dat de energetische verhouding tussen de verschillende energiedragers vastgesteld kan worden.
2.7 In het meetrapport wordt tevens vermeld, voor zover van toepassing:
a. storingen van meetinrichtingen en daarmee samenhangende reparatie van meetgegevens;
b. storingen in andere onderdelen van de bemetering en de gevolgen daarvan voor de betrouwbaarheid van de meetgegevens
c. dat meetgegevens door middel van alternatieve meting zijn bepaald;
d. correctie van meetgegevens, en
e. wijzigingen in installatie, bemetering en andere omstandigheden die van belang kunnen zijn voor het bepalen van de hoeveelheid subsidiabele productie.
2.8 Het meetrapport bevat voorts een verklaring dat de meetgegevens tot stand zijn gekomen door onverkorte toepassing van het meetprotocol en een verklaring dat er geen wijzigingen zijn aangebracht aan de installatie.
2.9 Het meetrapport bevat een overzicht van lekkage-incidenten en, indien van toepassing, een berekening van de hoeveelheid weggelekte koolstofdioxide.
2.10 Het meetrapport bevat een berekening van de hoeveelheid koolstofdioxide die wordt afgeblazen.
Storingen
2.11 De meetgegevens van een meetinrichting, die door een storing niet langer functioneert of niet langer voldoet aan de gestelde meeteisen, mogen voor een periode van maximaal vier werkdagen nadat de storing is opgemerkt worden berekend uit controlemetingen.
2.12 Indien de storing niet binnen vier werkdagen verholpen is, kan de producent meten volgens de in hoofdstuk 5 beschreven methode en procedure.
2.13 Indien een storing is opgetreden, wordt dit vermeld in het meetrapport over de desbetreffende kalendermaand. Hierbij wordt aangegeven welke meetgegevens het betreft en op welke wijze de reparatie is aangebracht.
Correcties
2.14 Een correctie op meetgegevens dient uiterlijk binnen twaalf maanden nadat deze zijn gerapporteerd te worden doorgevoerd.
2.15 Geconstateerde meetfouten en correcties worden gemeld aan de Minister van Economische Zaken en Klimaat.
Eisen aan meetinrichtingen en meters
2.16 Het meten van de hoeveelheden energie, waterstof, koolstofdioxide of geavanceerde hernieuwbare brandstof geschiedt volgens algemeen geaccepteerde comptabele meetinrichtingen.
2.17 Voor zover een meetinrichting of meter onder de Metrologiewet valt, zijn deze meetvoorwaarden niet van toepassing ten aanzien van het (de) onderwerp(en) dat (die) voor die meetinrichting of meter in de Metrologiewet word(t)(en) geregeld.
2.18 Voor zover een meetinrichting of meter onder de Metrologiewet valt, voldoen de meters en meetmiddelen aan de eisen die voor die meters en meetmiddelen zijn vastgesteld bij of krachtens de Metrologiewet en de overeenstemming met die eisen is vastgesteld overeenkomstig de voorschriften daaromtrent op grond van de Metrologiewet.
2.19 De capaciteit, het ontwerp en de aanleg van de meetinrichtingen is in overeenstemming met de maximale hoeveelheden warmte, waterstof en geavanceerde hernieuwbare brandstof die de productie-installatie kan consumeren respectievelijk produceren of de maximale hoeveelheden koolstofdioxide die de productie-installatie kan afvangen.
2.20 Plaatsing van de meters voldoet aan de plaatsingsvoorschriften die onderdeel uitmaken van de genoemde normen en aangevuld met de plaatsingsvoorschriften van de fabrikant van de meter of meetmiddel.
2.21 Elk van de meters en de meetmiddelen is geborgd dan wel verzegeld. De borging is zodanig dat een meting niet kan worden beïnvloed, zonder dat dit duidelijk gesignaleerd wordt. De verzegeling is zodanig dat een meting niet kan worden beïnvloed zonder de verzegeling zichtbaar te verbreken.
2.22 De meetinrichting wordt zodanig onderhouden dat deze voortdurend aan deze meetvoorwaarden voldoet.
- Regeling
- Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie
- Soort
- Ministeriële regeling
- Geldend vanaf
- 04-08-2026
- BWB-id
- BWBR0023563
- Versie
- 2026-08-04_0