wetzoeker

Actoren die vallen onder het zorgdragerschap van de Minister van Economische Zaken (deel 1) Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Economische Mededinging en Industrieel Eigendom vanaf 1946 (Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport)

Ministerie van Economische Zaken (1946–)

Het Ministerie van Economische Zaken is ingesteld in 1946. Met het mededingingsbeleid zijn een aantal specifieke directies belast geweest die als afdelingen van het Ministerie functioneerden. Dat zijn:

– Een directie Ordeningsvraagstukken als afdeling van het Directoraat-Generaal voor Handel en Nijverheid, die tussen 1948–1958 mede belast was met de uitvoering van het Kartelbesluit;

– Na de invoering van de WEM was er een afdeling economische mededinging werkzaam onder verschillende directoraten of directoraten-generaal c.q. stafafdelingen: een Directie Prijzen en mededinging in 1968;

– Een directie Prijzen en ordening tussen 1974–1977;

– Een directie Mededinging en Fusies, van 1979–1985, die zich vertakte in verschillende hoofdafdelingen. In 1985 viel zij onder een Stafafdeling Juridische prijzen- en mededingingsaangelegenheden, (overigens mede gevormd onder invloed van de liquidatie van organisaties, belast met het prijsbeleid);

– Een directie Mededinging onder het Directoraat-generaal Diensten Midden- en Kleinbedrijf en Ordeningsvraagstukken (DMO) in 1989;

– Een afdeling Mededinging onder de directie Marktwerking van het Directoraat-generaal Economische Structuur (DGES).

Inzake het industriële eigendom heeft het Ministerie wel ondersteunende activiteiten verricht, maar het beleid werd aangestuurd door het Bureau Industrieel Eigendom en dat bureau werd ondersteund door stafafdelingen van het Ministerie.

Met de Winkelsluitingswet en de Uitverkopenwet zijn belast geweest de directoraten-generaal belast met Middenstandszaken, Consumentenbeleid en Ordeningsvraagstukken.

Commissie Economische Mededinging (1958–1997)

In art. 28 van de Wet op de Economische Mededinging (WEM) wordt het bestaan van de Commissie Economische Mededinging vastgesteld, die bestaat uit vooraanstaande personen die het algemeen belang vertegenwoordigen. De commissie werd in het kader van de Aanpassingswet herziening adviesstelsel opgeheven (Stb 1997, 63).

Het advies van de commissie geschiedt door middel van een vastgestelde inspraakprocedure: De commissie doet, zodra door de Minister advies is aangevraagd over een kwestie, mededeling in de Staatscourant. Zij legt de voorgelegde mededelingsregeling ter inzage en hoort belanghebbenden en de desbetreffende beroeps-, bedrijfs- en belangenorganisaties (bijvoorbeeld de Consumentenbond). Bij haar advies legt ze alle ontvangen stukken over, ook de verslagen van de besprekingen met de gehoorde organisaties. Indien afgezien wordt van een verbindendverklaring van een prijsregeling, en het verzoek wordt ingetrokken, wordt ook hiervan mededeling gedaan in de Staatscourant. Hierin wordt ook de motivatie tot intrekking bekend gemaakt, zodat kan worden vastgesteld welke vormen van mededingingsregels van kartels in strijd met het algemeen belang zijn en daarom onverbindend verklaard zullen worden

Commissie Ordelijk Economisch Verkeer (1964–1967)

Van 1964 tot 1967 adviseerde deze commissie de Minister van EZ inzake het beleid betreffende het ordelijk economisch verkeer.

Economische Controle Dienst (1945– )

De bevoegdheden van het rijk op het gebied van handhaving en opsporing op de (deel)beleidsterreinen economisch verkeer, industriële eigendom en mededing berusten bij de Economische Controledienst.

De Nederlandse Mededingings Autoriteit Nma heeft met ingang van 1 januari 1998 de bevoegdheden van de ECD in dit verband overgenomen. Te denken valt aan ingrijpen in het belang van houders van merken en erkende modellen of tekeningen; en de opsporing van economische delicten op publiekrechtelijk terrein, zoals inbreuk op het merkenrecht. Het secretariaat van de ECD, die in 1935 werd ingesteld, lag bij het Ministerie van Economische Zaken.

Interdepartementaal Steunoverleg (1990–)

Art. 92 lid 1 van het EG-verdrag verbiedt steunmaatregelen van staten die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalsen of dreigen te vervalsen. Staatssteun dient aan de Europese commissie te worden aangemaald. De Europese commissie beoordeelt of de desbetreffende maatregel verenigbaar is met de Europese markt. In 1998 zijn vanuit de Nederlandse vertegenwoordiging van de Europese Unie nieuwe regelingen met betrekking tot de aanmelding van overheidssteun tot stand gekomen. Voortaan dient het uitgangspunt te worden gehanteerd dat de verantwoordelijkheid voor specifieke steunzaken en regelingen ligt bij het primair betrokken departement. (Summier) uitgewerkt houdt dit het volgende in:

– Specifieke steunzaken en regelingen vallen onder het (meest) direct betrokken departement;

– Steunzaken en regelingen van PBO’s vallen onder het departement waaronder het desbetreffende PBO ressorteert;

– Steunzaken en regelingen van decentrale overheden vallen onder het departement van Binnenlandse Zaken.

4 Verslag Europa-Overleg van het Ministerie van Economische Zaken, maandag 11 januari 1999 (EUR 239).

Nederlandse Mededingingsautoriteit (1998–)

De Mededingingswet, aangenomen in 1997 en van kracht met ingang van 1 januari 1998, moet worden beschouwd als een aanpassing van de Nederlandse wetgeving aan Europese richtlijnen en verordeningen. Zij heeft een apart lichaam in het leven geroepen dat belast is met de handhaving van mededingingsregels: de Nederlandse Mededingingsautoriteit (Nma). Dit lichaam heeft bevoegdheden die parallel lopen met die van de Europese Commissie ten aanzien van Europese mededingingsregels. De directeur-generaal van de Nma heeft ook de bevoegdheid om Europese regels toe te passen. De Nederlandse regels zijn niet van toepassing in gevallen waarvoor Europese regels gelden, of waarvoor bij EU-verordening groepsvrijstelling is verleend. Dit leidt onder meer tot de volgende consequenties.

– mededingingsafspraken dienen bij de directeur-generaal van de Nma te worden aangemeld als een verzoek om ontheffing van het verbod;

– concentraties van bedrijven moeten worden aangemeld bij de directeur-generaal van de Nma, die bevoegd is eventueel vergunningen op te stellen – onder voorwaarden – en de fusies zelfs te verbieden;

– de directeur-generaal van de Nma is bevoegd zelf boetes op te leggen en bevelen op straffe van een dwangsom.

Met ingang van 1 januari 1998 geldt in Nederland de Mededingingswet, die evenals het communautaire stelsel is gebaseerd op drie verboden. Voor wat betreft de materiele regels (kartelverbod, verbod misbruik te maken van economische machtspositie en de concentratiecontrole) sluit de Mw zoveel mogelijk aan bij het Europese recht. Sommige bepalingen zijn nagenoeg letterlijk overgenomen; sommige definities zijn ontleend aan de Europese rechtspraak, voor andere wordt verwezen naar het EG-verdrag. Voorts heeft de regering tot uitgangspunt gekozen dat de Mw niet strenger en niet soepeler zal worden toegepast dan het Europese mededingingsrecht.

De wet trad per 1 januari 1998 in werking, en daarmee begon ook het optreden van de directeur-generaal van de Nma. Dit lichaam heeft bevoegdheden inzake ‘overeenkomsten tussen ondernemingen, besluiten van ondernemerverenigingen en onderling afgestemde gedragingen van ondernemingen die de mededinging verhinderen, beperken of vervalsen’ (art. 6, lid 1) en bij machtsconcentraties. De Minister kan alleen – op grond van het landsbelang – een concentratievergunning verlenen tegen het besluit van de Nma in.

Rijksbureau voor Handel en Nijverheid (1946–1950)

Regeling
Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Economische Mededinging en Industrieel Eigendom vanaf 1946 (Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport)
Soort
Archiefselectielijst
Geldend vanaf
01-07-2018
BWB-id
BWBR0023245
Versie
2018-07-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl