3.5 Situatie tijdens de bezettingsperiode Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein regulering en toezicht bank- en kredietwezen vanaf 1940 (Minister van Verkeer en Waterstaat)
Daar waar verreweg de meeste BSD’s lopen vanaf 1945, begint het BSD Toezicht Bank- en kredietwezen in 1940. Volgens het ‘Decreet van de Führer over de uitoefening van de regeeringsbevoegdheden in Nederland’ van 18 mei 1940 was Rijkscommissaris Seyss-Inquart belast met het opperste regeringsgezag; als zodanig gerechtigd tot het uitvaardigen van verordeningen met de kracht van wet.
Gedurende de Duitse bezetting – bij afwezigheid van de Minister van Financiën – was de Secretaris-Generaal van het Ministerie van Financiën belast met de zorg voor de totstandkoming, wijziging en intrekking van wet- en regelgeving, onder gezag van de Rijkscommissaris.
Hieronder wordt per onderwerp van het beleidsterrein toezicht bank- en kredietwezen, zoals weergegeven in deel A van het BSD, een korte uitleg gegeven over de situatie tijdens de Duitse bezetting. Die onderwerpen die pas na 1945 aan de orde zijn gekomen, zoals anti-witwas wetgeving, blijven uiteraard buiten beschouwing.
Centrale bank
De centrale bank is sinds 1814 een naamloze vennootschap. Aanvankelijk was de centrale bank werkzaam als een circulatiebank, die als enige gemachtigd was bankbiljetten in omloop te brengen. Tijdens de bezetting onderging de status van de Bank een ingrijpende wijziging. Medio 1943 werd de centrale bank gemaakt tot een publiekrechtelijk lichaam, rechtstreeks ondergeschikt aan de Rijkscommissaris en te leiden en te beheren volgens door die Commissaris te geven richtlijnen en onder zijn toezicht.
Bij Koninklijk Besluit werd in april 1945 bepaald dat de bevoegdheden betreffende de centrale bank weer werden uitgeoefend door de Minister van Financiën.
Toezicht op het kredietwezen
Het vrijwillige toezicht van DNB op de banken dateert vanaf het begin van de jaren dertig. Bij Besluit van 16 december 1941 was de secretaris-generaal van het departement voor Bijzondere Economische Zaken (ook de Minister van dit departement zat in Londen) gerechtigd tot het uitvaardigen van voorschriften met betrekking tot kredietinstellingen en de uitoefening van het kredietbedrijf. Ook was hij belast met het algemeen toezicht op kredietinstellingen (in overleg met De Nederlandsche Bank). Een aantal zaken werd nader geregeld in het Eerste Uitvoeringsbesluit Banken van juni 1943.
Met de bevrijding werd het door de bezetter ingevoerde systeem van toezicht dat overigens nog niet of nauwelijks van de grond was gekomen, direct weer buiten werking gesteld.
Effecten
Ofschoon de Minister van Financiën op grond van de Beurswet 1914 gemachtigd was voorschriften op het gebied van effectenhandel vast te stellen, werd voor 1940 niet of nauwelijks gebruik gemaakt van deze bevoegdheid. De overheid vertrouwde op de regelgeving van de Vereeniging voor den Effectenhandel. De Commissie van Bijstand voor de uitvoering van de Beurswet 1914 was namens de Minister belast met een deel van het toezicht.
Reeds in juli 1940 kwam hier verandering in. Met de Beursvoorschriften 1940 werd het departement verantwoordelijk voor het vaststellen van allerlei (beurs)regels. Het hoofd van het departement – de secretaris-generaal – kon verder de bevoegdheden waarover hij (= eigenlijk de Minister) uit hoofde van de Beurswet beschikte, overdragen aan de Commissie van Bijstand voor de Uitvoering van de Beurswet 1914 (art. 1.5).
Het Bedrijfsvergunningenbesluit van 24 juni 1941 stelde de handel in effecten afhankelijk van een vergunning. In 1942 werd bij het beschikken over effecten de tussenkomst van een lid van de Vereeniging voor den Effectenhandel verplicht gesteld (commissionairsdwang). In 1943 tenslotte werd in het Besluit betreffende de uitoefening van den effectenhandel de handel in effecten voorbehouden aan leden van de Vereeniging.
Een deel van de door de bezetter genomen maatregelen bleef in de eerste jaren na de oorlog geheel of gedeeltelijk van kracht. In 1947 echter kwam een nieuwe Beschikking Beursverkeer tot stand. Daarmee keerde men terug naar de situatie van voor 1940: een summiere algemene controle door de overheid met daarnaast een uitgebreide zelfregulering.
Voor 1940 was de vervanging van onverhandelbaar geworden of verloren gegane effecten onbevredigend geregeld. De bijzondere gebeurtenissen van 1940 maakten een wettelijke regeling van deze zaak urgent. Door de oorlogsomstandigheden waren niet alleen veel effecten verloren gegaan, maar ook de administraties van eigenaren van effecten of van hun bankiers of commissionairs in het ongerede geraakt.
Met het Effectenbesluit 1941 werd de vervanging van waardepapieren welke verloren waren gegaan dan wel onverhandelbaar waren geworden, geregeld. Na de oorlog bleef dit Besluit, aangezien deze bevredigend had gewerkt, tot 1965 van kracht.
Toezicht Giroverkeer
Bij Wet van 29 december 1928 was de PTT aangewezen als staatsbedrijf. Op grond van het Girobesluit 1934 en de Girowet 1936 had de Minister belast met de zorg voor de PTT een aantal (verregaande) regelgevende en toezichthoudende bevoegdheden, ook ten aanzien van de van overheidswege opgerichte Postcheque- Girodienst (PCGD). De rol van de Minister van Financiën beperkte zich voornamelijk tot die van mede-wetgever en mede-toezichthouder.
De Tweede Wereldoorlog leidde tot een veranderde status van de PCGD. Bij Besluit van de secretarissen-generaal van Binnenlandse Zaken (deze was belast met de zorg voor het Staatsbedrijf der PTT) en van Financiën van 11 september 1940, VB 139/1940, echter werd aan de PCGD rechtspersoonlijkheid toegekend. Alle goederen, rechten en verplichtingen van de staat ‘de PCGD betreffende’, gingen daarbij over op de PCGD. De verhouding tot de PTT wijzigde niet. Wel gingen bij Verordening van 31 maart 1941, VB 67/1941, betreffende de organisatie van het Staatsbedrijf der PTT alle goederen, rechten en verplichtingen van de staat ‘de PTT betreffende’ over op de rechtspersoon PTT. Bij Besluit van de secretaris-generaal van het Departement van Binnenlandsche Zaken van 30 januari 1943 werd i.v.m. de oorlogsomstandigheden een beperking van het aantal nieuw te openen postrekeningen ingevoerd.
Het internationale giroverkeer werd in mei 1940 direct gestaakt, met uitzondering van dat met Duitsland.
Na de bevrijding werden de maatregelen van de Duitsers pas zeer geleidelijk aan teruggedraaid.
- Regeling
- Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein regulering en toezicht bank- en kredietwezen vanaf 1940 (Minister van Verkeer en Waterstaat)
- Soort
- Archiefselectielijst
- Geldend vanaf
- 28-11-2007
- BWB-id
- BWBR0022898
- Versie
- 2007-11-28_0