wetzoeker

3.4 Doelstellingen van de overheid op het beleidsterrein Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein regulering en toezicht bank- en kredietwezen vanaf 1940 (Minister van Verkeer en Waterstaat)

Al voor de Tweede Wereldoorlog was de regering op het sociale en economische vlak regelend en corrigerend opgetreden. Dat ingrijpen droeg in die periode echter nog een voornamelijk fragmentarisch karakter.

Na 1945 echter werd een andere lijn gevolgd: de omvang van de sociaal-economische problemen – aanvankelijk voortkomend uit en samenhangend met (de nasleep van) de Tweede Wereldoorlog, later vooral met de snelle industrialisatie – maakte een meer structureel ingrijpen wenselijk, cq. noodzakelijk.

De groeiende betekenis van banken en financiële markten voor het economische leven – een belangrijk deel van het handelen van de (Rijks- en lagere) overheid en de expansie en modernisering van het bedrijfsleven werden via deze kanalen gefinancierd – leidde ertoe, dat de Rijksoverheid in de decennia na de Tweede Wereldoorlog in toenemende mate regulerend ging optreden. Het aanvankelijk gehanteerde systeem van ‘een summier toezicht’ van overheidswege, gekoppeld aan ‘een uitgebreide zelfregulering’ door de bank- en effectenwereld, bleek onder de gewijzigde omstandigheden niet afdoende. Ook de toenemende internationalisering van het krediet- en effectenverkeer en de daarmee samenhangende groei van de concurrentie op de financiële markten, maakten een verdergaand overheidsingrijpen gewenst en noodzakelijk. In Europees verband tenslotte werd aangedrongen op coördinatie van het toezicht en ook dat leidde tot aanpassing en uitbreiding van de wet- en regelgeving.

Met de wet- en regelgeving op het terrein van de financiële infrastructuur beoogt de wetgever een aantal verschillende (beleids)doeleinden. In de eerste plaats wil de overheid greep houden op de waarde van de Nederlandse gulden. Deze dient zodanig te worden gereguleerd ‘als voor ’s lands welvaart het meest dienstig is’. Om dat doel te bereiken dient de overheid invloed te kunnen uitoefenen op de totale geldhoeveelheid. In de Bankwet is de taak van de regulering van de geldwaarde in eerste instantie toevertrouwd aan De Nederlandsche Bank (DNB). Als circulatiebank is zij verantwoordelijk voor de uitgifte van bankbiljetten. Door middel van het ‘monetair toezicht’ kan zij richting geven aan de kredietverlening door banken en andere geldscheppende instellingen en deze binnen de perken houden. De Bankwet biedt aan de overheid de mogelijkheid om in te grijpen als zij het – in het kader van de algemeen financiële en economische politiek – niet eens is met de door De Nederlandsche Bank gevolgde lijn.

In de tweede plaats wil de overheid door het (doen) uitoefenen van toezicht het vertrouwen van spaarders en beleggers in de financiële sector (bankwezen en financiële markten) handhaven en versterken. Door middel van dat toezicht wil de overheid voorkomen dat aantasting van het vertrouwen in bij voorbeeld een afzonderlijke bank of effecteninstelling leidt tot aantasting van het vertrouwen in de gehele sector. De overheid richt zich met name op de bescherming van de belangen van de ‘particuliere geldgever’, d.w.z. de niet-professionele spaarder en de belegger. Dezen moeten er vanuit kunnen gaan dat zij voldoende beschermd zijn tegen malafide praktijken en tegen ondeskundig optreden. Daarnaast moeten zij de garantie hebben, dat zij de noodzakelijke informatie ontvangen (‘transparantie van de markt’).

Ook het beleid met betrekking tot de voorkoming van het witwassen van uit criminele activiteiten verkregen gelden is – deels – gericht op de handhaving van de integriteit van het financiële stelsel.

3 Met de zgn. ‘anti-witwasregelingen’ beoogt de overheid ook een fiscaal doel.

In de derde plaats wil de overheid zicht houden op de totale structuur van de financiële sector. Daarbij gaat het vooral om het voorkomen van ongewenste machtsconcentraties, die tot een ernstige verstoring van de concurrentieverhoudingen zouden kunnen leiden. In dat kader past ook het voor alle financiële instellingen algemeen bindend verklaren van bijzondere regelingen (bij voorbeeld inzake de verkoop van spaarbewijzen en de identiteitsvaststelling bij financiële dienstverlening), waardoor oneigenlijke concurrentie kan worden voorkomen.

Door middel van een uitgebreide wet- en regelgeving heeft de overheid het kader geschapen voor een verregaand toezicht. De uitvoering daarvan wordt in de meeste gevallen overgelaten aan anderen. Kern van de wetgeving is, dat het bedrijfsmatige optreden van instellingen in de financiële sector gebonden is aan vergunningen. Die vergunningen worden alleen verstrekt, als de betreffende instellingen aan bepaalde – algemeen geldende of bijzondere – voorwaarden voldoen. Vergunningen kunnen worden ingetrokken als bij controle blijkt dat dat niet meer het geval is. Daarnaast worden bepaalde handelingen in de wetgeving gebonden aan ‘verklaringen van geen bezwaar’. Dat houdt in dat zij alleen mogen worden uitgevoerd met toestemming van de toezichthouder.

Regeling
Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein regulering en toezicht bank- en kredietwezen vanaf 1940 (Minister van Verkeer en Waterstaat)
Soort
Archiefselectielijst
Geldend vanaf
28-11-2007
BWB-id
BWBR0022898
Versie
2007-11-28_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl