wetzoeker

6. Actorenoverzicht (deel 1) Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Politie 1945–1993 (Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport)

Ministeries

Minister van Justitie

Minister van Binnenlandse Zaken

Op 8 november 1945 volgde het Politiebesluit (Stb. 1945, F 250), dat ten dele terugviel op het zo omstreden vooroorlogse duale politiebestel. Het eerste artikel van het Politiebesluit 1945 bepaalde dat de politie bestond uit de gemeentepolitie en uit het Korps Rijkspolitie. Rijks- en gemeenteveldwacht. De Koninklijke Marechaussee werd uit het bestel geschreven en zou zich alleen toeleggen op de militaire politietaak. Het Korps Politietroepen keerde niet meer terug.

Gemeente en rijkspolitie kregen ieder hun eigen bewakingsgebieden toebedeeld. De grote en middelgrote gemeenten (65 in totaal) waren het werkterrein van de gemeentepolitie. In de plattelandsgemeenten waakte de rijkspolitie. De algemene leiding, de organisatie en het beheer van de rijkspolitie kwam te berusten bij de Minister van Justitie. In gemeenten met gemeentepolitie werd de burgemeester belast met de algemene leiding, de organisatie en het beheer van de gemeentepolitie. De dagelijkse leiding over het Korps Rijkspolitie werd opgedragen aan de algemeen inspecteur. Het korps was georganiseerd in districten en groepen.

Het Politiebesluit van 1945 bepaalde dat ten aanzien van een aantal beheersaangelegenheden centrale beheersregelingen werden vastgesteld waaraan het bevoegd gezag (de burgemeester voor wat betreft de gemeentepolitie en de Minister van Justitie voor wat betreft de rijkspolitie) zich dienden te houden. Deze beheersbevoegdheid werd vanaf 1945 gedeeld door de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken. De Minister van Justitie was verantwoordelijk voor de rijkspolitie; de Minister van Binnenlandse Zaken voor de gemeentepolitie. Voor die tijd had de Minister van Binnenlandse Zaken slechts een bijrol op het beleidsterrein. Als gevolg van het politiebesluit nam dit Ministerie voortaan een gelijkwaardige rol in. Door de Kroon, op gemeenschappelijke voordracht van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken, bij gemeenschappelijke Ministeriële beschikking of in onderling overleg werden regels gegeven over beheerszaken als rechtspositie, tucht, benoembaarheideisen, opleiding, indeling en sterkte, werving, kleding, en bewapening.

Minister van Defensie

De Minister van Defensie speelt een grote rol op het beleidsterrein politie en neemt actief deel aan de beleidsvorming. De taken van deze Minister zijn nauw verweven met die van de politie. De Koninklijke Marechaussee (Kmar) ressorteert onder het Ministerie. Aan de Koninklijke marechaussee zijn een aantal politietaken opgedragen, zoals het waken voor de veiligheid van de leden van het Koninklijk Huis, in samenwerking met andere daartoe aangewezen organen; de uitvoering van de politietaak ten behoeve van Nederlandse en andere strijdkrachten, alsmede internationale militaire hoofdkwartieren, en ten aanzien van tot die strijdkrachten en hoofdkwartieren behorende personen; en de uitvoering van de politietaak op plaatsen onder beheer van de Minister van Defensie en op verboden plaatsen die krachtens de Wet bescherming staatsgeheimen (Stb. 1951, 92) ten behoeve van de landsverdediging zijn aangewezen.

Minister-President / Minister van Algemene Zaken

De Minister-president verleent eervol ontslag aan een bij KB benoemde ambtenaar van politie indien uit zijn gedragingen van zodanige gezindheid blijkt dat er geen voldoende waarborg aanwezig is dat hij zijn plicht getrouwelijk zal vervullen. Ook benoemt hij de (plaatsvervangende) leden van de commissie bedoeld in het Ambtenarenreglement voor de gemeentepolitie en het Ambtenarenreglement voor het Korps Rijkspolitie

VakMinister

De vakMinisters overleggen met de Minister van Binnenlandse Zaken over de aanwijzing van een bewakingskern.

Overige actoren

Procureur-Generaal

De procureur-generaal bij het gerechtshof oefent er het openbaar Ministerie uit. Daarnaast was hij ingevolge het Politiebesluit 1945 en de Politiewet 1957 fungerend directeur van politie. Hij werd daarbij bijgestaan door een commissaris van rijkspolitie en een afdeling rijksrecherche. Bovendien viel van 1947 tot 1990 een afdeling van de postale recherche onder zijn gezag.

Bij het Politiebesluit 1945 kreeg de procureur-generaal het gezag over de rijkspolitie. Hij diende zich te overtuigen van de richtige uitoefening van de rijkspolitiezorg door alle onderdelen van de politie. De politiezorg tot handhaving van de openbare orde en rust geschiedde onder leiding en verantwoordelijkheid van de burgemeesters en voor zoveel nodig van de commissaris der koningin. De politiewet 1957 plaatste de procureur-generaal, fungerend directeur van politie, wat meer op afstand. Hij kreeg als taak toe te zien dat de politie in zijn ambtsgebied haar taak ten dienste van justitie en ter uitvoering van de wettelijke voorschriften, met de uitvoering waarvan de Minister van justitie is belast, naar behoren vervulde.

(Hoofd)officier van Justitie

De officier van Justitie maakt deel uit van het Openbaar Ministerie en ziet toe op de opsporing van strafbare feiten door de politie. Daarnaast treedt hij op als openbaar aanklager.

Hulpofficier van Justitie

Deze functionarissen konden door de Minister van Justitie worden aangewezen.

Algemeen Inspecteur van het Korps Rijkspolitie

Hij had in ondergeschiktheid aan de Minister van Justitie de dagelijkse leiding van het Korps Rijkspolitie. Dit hield in dat hij belast was met het toezicht op en de zorg voor de organisatie en het beheer van het korps.

Landelijk Coördinator Misdaadvoorkoming

Het hoofd van de Afdeling Voorkoming Criminaliteit van het Ministerie van Justitie was belast met de landelijke coördinatie van de misdaadpreventie. In overleg met de Minister van Justitie wees de Minister van Binnenlandse Zaken een plaatsvervangend coördinator aan.

Landelijk Coördinator Criminele Inlichtingen Dienst (CID)

Ingevolge de CID-regeling (Stcrt. 1986, 141) is het hoofd van de Centrale Recherche Informatiedienst belast met het aanleggen en bijhouden van een bestand van criminele inlichtingen betreffende CID-subjecten, voor zover die inlichtingen van (inter)nationale betekenis zijn, alsmede het verstrekken van informatie aan de betrokken politiekorpsen.

Raad voor het KLPD in oprichting

Ingesteld: art. 1 Beschikking instelling Raad voor het KLPD in oprichting (Stcrt. 1992, 206)

Einddatum: 1 januari 1994

Opvolger: Zie Handelen met de sterke arm, deel 2 blz. 272–274.

Samenstelling: ambtelijk, interdepartementaal

Taak: het adviseren van:

– de Minister van Justitie over het beheer van het in oprichting zijnde KLPD

– de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken over de taken en de taakvervulling van het in oprichting zijnde KLPD

– het vaststellen van de organisatie, de formatie, de begroting, de jaarrekening en het beleidsplan van het in oprichting zijnde KLPD

Adviescommissies verkeerstoezicht

Op grond van artikel 34i.2 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals ingevoegd bij Wet van 20 december 1968 (Stb. 734) werden door de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken commissies voor zaken van verkeerstoezicht ingesteld. Deze commissies hadden tot taak de Ministers gevraagd of ongevraagd te adviseren over bestuurlijke, justitiële of politie-technische aangelegenheden van verkeerstoezicht. Voorzitters en leden werden benoemd en ontslagen door de Ministers die ook voorzagen in het secretariaat. Bij Algemene Maatregel van Bestuur konden nadere regels over de taak, samenstelling en werkwijze van de adviescommissies verkeerstoezicht worden vastgesteld.

Voorbeeld van een dergelijke commissie was de Centrale Politie Verkeerscommissie. Zie hiervoor Handelen met de sterke arm, deel 2 blz. 276–277.

Voorlopige Raad voor de Centrale Recherche Informatiedienst

Ingesteld: art. 1 Instellingsbesluit voorlopige Raad voor de CRI (Stcrt. 1989, 208)

Einddatum: uiterlijk 1995

Voorzitter: mr. R.A. Gonsalves, procureur-generaal, fungerend directeur van politie bij het gerechtshof in Den Bosch

Samenstelling: vertegenwoordigers van het OM, openbaar bestuur en politie

Regeling
Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Politie 1945–1993 (Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport)
Soort
Archiefselectielijst
Geldend vanaf
05-04-2012
BWB-id
BWBR0022767
Versie
2012-04-05_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl