wetzoeker

1.3.3. De geleide prijspolitiek van 1950 tot 1985 Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Prijsbeleid, vanaf 1945 (Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport)

In 1954 deden zich echter andere problemen voor dan door de Prijs- en Hamsterwet 1939 waren voorzien de regering wilde – in een periode van geleide loonpolitiek – voorkomen dat loonstijgingen meteen in de prijzen zouden worden doorberekend, waardoor als gevolg van een ‘loon- en prijsspiraal’ een niet te beteugelen inflatie zou kunnen ontstaan. Als gevolg van overleg tussen de overheid en het bedrijfsleven werd opnieuw bepaald dat voor prijsverhoging toestemming van het Ministerie van Economische Zaken was vereist. Onder meer werden verboden tot prijsverhoging of z.g. prijsstoppen uitgevaardigd tegen kartels en grote bedrijven die goedkoper konden produceren dan zij in werkelijkheid in hun prijzen aangaven (men omschreef dit indertijd als ‘prijsverstarring in benedenwaartse richting’).

Inmiddels bleek ook de noodzaak tot de invoering van minimumprijzen om het wegconcurreren van kleinere bedrijven te voorkomen. Met name werd de geldigheid van regelingen voor levensmiddelen in het kader van het Organisatiebesluit voedselvoorziening verlengd, ook toen de vastgestelde geldigheidstermijn van het Organisatiebesluit in 1958 kwam te vervallen. Hiervoor werden naast art. 174 van de Landbouwwet verschillende wettelijke voorzieningen getroffen. Het Ministerie van Landbouw had daardoor de bevoegdheid om voor bepaalde landbouwproducten zowel maximum- als minimumprijzen vast te stellen en kon deze bevoegdheden ook delegeren aan de productschappen. Tot 1993 heeft zij van deze bevoegdheid gebruik gemaakt. Het Ministerie van Economische Zaken beperkte in hoofdzaak zijn bemoeienis tot de maximumprijzen.

De Prijzenwet van 1961 kent aan de overheid de permanente bevoegdheid toe om in te grijpen in de prijsvorming van goederen en diensten. Uitgangspunt is hierbij wel ‘dat de vrije prijsvorming een essentiële functie in het economisch bestel vervult en dat ingrijpen van overheidswege in het vrije verkeer zoveel mogelijk moet worden vermeden.’

3 MVT, HdTK 1958–1959 5349, nr. 3, p. 4.

Toch werd aan de Minister van Economische Zaken de bevoegdheid toegekend om in bijzondere omstandigheden door middel van prijsbesluiten en beschikkingen regulerend op te treden ten aanzien van de prijsvorming van sommige waren. Het prijsbeleid wordt echter gevoerd ‘aan de hand van criteria, zgn. prijsgedragsregels, waarover tevoren overleg is gevoerd met het georganiseerde bedrijfsleven.’ Prijsmaatregelen zouden eerst door de minister mogen worden vastgesteld, indien er ‘onverantwoorde prijsverhogingen’ van bepaalde artikelen plaats vonden.

4 MVT wetswijziging 1964, HdTK 1963–1964 7559, nr. 3, p. 1.

In 1964 werd door een wetswijziging tevens aan de minister de bevoegdheid toegekend om onmiddellijk prijsbindende voorschriften te stellen aan bedrijven die zich niet aan de prijsafspraken hielden zonder dat daarvoor een algemene prijsmaatregel moest worden afgekondigd.

Het prijsbeleid vond zijn weerslag in jaarlijkse prijsbeschikkingen voor goederen en diensten, waarbij door middel van calculatievoorschriften marges voor prijsvorming werden vastgesteld. Uitgangspunt was een peilprijs, zoals die bestond op een vastgestelde datum. De toegelaten verhogingen werden vastgesteld aan de hand van verhoogde grondstofprijzen en andere factoren, mede vastgesteld aan de hand van ramingen van het Centraal Planbureau. Deze regelingen bevatten calculatievoorschriften, waarbij de marges werden vastgesteld van de gewenste prijsverhoging. Daarnaast werden er jaarlijks voor bepaalde categorieën goederen en diensten bijzondere ‘sectorale’ prijsbeschikkingen afgekondigd in overleg met de ‘sector’ in industrie, handel en dienstverlening. Al deze regelingen werden van een uitvoerige motivatie voorzien in de bijbehorende toelichting. De minister verantwoordde de totstandkoming van deze regelingen in zijn ‘Jaarverslag over de uitvoering van de Prijzenwet’ aan de Staten-Generaal, die na vaststelling in de Staatscourant werd gepubliceerd. Wij vinden in deze toelichtingen en verslagen ook alle overlegpartners genoemd die aan de totstandkoming van de beschikkingen hebben bijgedragen.

Naast prijsbeschikkingen werden er voor de verschillende sectoren ook jaarlijks Beschikkingen meldingen prijsveranderingen uitgevaardigd, waarbij iedere prijsverandering (verhoging of verlaging) bij de minister moest worden aangemeld. Voor sommige categorieën goederen of diensten gold de aangifte van de prijsverandering (de z.g. ‘lichte melding’), bij andere moest een calculatie worden toegevoegd (de z.g. ‘zware melding’). Niet aangemelde prijsverhogingen waren strafbaar en konden leiden tot proces-verbaal van de Economische Controledienst.

De toepassing van de prijzenwet werd vanaf 1955 dus vooral gezien als een instrument om inflatie te beteugelen en de economische conjunctuur te beheersen. Over de effectiviteit van deze vorm van ‘conjunctuurbeleid’ begon aan het eind van de jaren zeventig twijfel te ontstaan. Zo leidde prijsbeheersing uiteindelijk remmend op de marktwerking; vooral in bepaalde sectoren werkten de door de beschikking vastgestelde prijzen als een ‘quasi-kartelprijs’.

5 Aldus Mok in: TVVS 1993, p. 16.

Het inzicht ontstond dat prijsvorming ook door de markt zelf en dus zonder specifieke regelgeving in de hand kon worden gehouden.

Regeling
Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Prijsbeleid, vanaf 1945 (Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport)
Soort
Archiefselectielijst
Geldend vanaf
25-10-2007
BWB-id
BWBR0022684
Versie
2007-10-25_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl