11.1. Actor: de Minister van Koloniën /de Minister zonder portefeuille /de Minister voor Uniezaken en Overzeese Rijksdelen (1940–) (deel 1) Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Geldvoorziening vanaf 1940 (Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties)
[41]
Handeling: Het adviseren ten aanzien van de totstandkoming, wijziging en intrekking van algemene maatregelen van bestuur.
Periode: 1940–(…)
Grondslag: (Muntwet 1909, art. 2; art. 3; art. 12)
Produkt: Adviezen met betrekking tot algemene maatregelen van bestuur (o.a.)
– op basis van artikel 12 van de Wet 1901
1. Besluit van 19 maart 1910, Stb. 88, tot uitvoering van artikel 12 der wet van 28 mei 1901, Stb. 130, etc. (Besluit tot regeling van het onderzoek van munten door de Commissie voor het Muntwezen
– op basis van artikel 2 en 3 van de Wet 1901
2. Besluit van 20 januari 1913, Stb. 35, regelende de voorwaarden, waaronder voor rekening van anderen dan het Rijk tot regeling aan ’s Rijksmunt kan worden gemunt, medailles kunnen worden geslagen en muntstempels of medaillestempels kunnen worden vervaardigd.
– indirect op basis van artikel 2, lid 2, van de Wet 1901
3. Besluit van den 30sten december 1933, Stb. 811, regelende de kosten van aanmunting ten behoeve van het Rijk, van Nederlands-Indië, van Suriname en van Curaçao.
N.B. In de aanhef van dit Besluit wordt verwezen naar artikel 2, tweede lid, van de Wet houdende bepalingen omtrent het toezicht en de zorg over de zaken der Munt, naar de Muntwet van 1901, naar de Indische Muntwet 1912, naar het gewijzigde Besluit van 20 januari 1913, Stb. 35, en naar het Besluit van 3 februari 1913, Stb. 90, gewijzigd bij Besluit van 2 september 1919, Stb. 128.
– indirect op basis van artikel 3, lid 3, van de Wet 1901
4. Besluit van den 29sten december 1911, Stb. 390, regelende de voorwaarden waaronder voor rekening van ’s’Rijks Koloniën en Bezittingen stempels – geen muntstempels of medaillestempels zijnde – en hulpmiddelen – geen stempels zijnde – aan ’s Rijks Munt kunnen vervaardigd worden .
N.B. In de aanhef van dit Besluit wordt verwezen naar artikel 3, derde lid, van de Wet houdende bepalingen omtrent het toezicht en de zorg over de zaken der Munt; dit artikel voorziet in het bij AMvB stellen van voorwaarden inzake de vervaardiging van muntstempels; over stempels ‘geen muntstempels of medaillestempels zijnde’ wordt in dat artikel niet expliciet gesproken; deze AMvB vloeit dus niet direct uit dat artikel voort.
Opmerking: Vgl. Besluit van 20 januari 1913, Stb. 35, regelende de voorwaarden waaronder voor anderen dan het Rijk aan ’s Rijks Munt kan worden gemunt, medailles kunnen worden geslagen en muntstempels of medaillestempels kunnen worden vervaardigd; in de aanhef van dit Besluit wordt weet verwezen naar het Besluit van 1911.
Waardering: B (1)
[162]
Handeling: Het voorbereiden van de totstandkoming, wijziging en intrekking van wetten op het gebied van het geldwezen.
Periode: 1940–(1962)
Grondslag: Grondwet / besluit van 29 december 1949, Stb. J 599, diverse artikelen
Opmerking: N.B. Zie overzicht hoofdstuk 6 van het RIO.
Waardering: B (1)
[167]
Handeling: Het doen van voordrachten aan de Kroon om, wanneer de behoeften der circulatie zulks nodig maken, afwijking toe te staan van het in het eerste en derde lid van artikel 3 gestelde verbod om rijksdaalders, guldens, halve guldens en zilveren pasmunt aan te munten anders dan uit zilver door versmelting van Nederlandsche of Nederlandsch-Indische munten verkregen.
Periode: 1940–(1948)
Grondslag: Indische Muntwet 1912, artikel 3
Produkt: Voordrachten tot koninklijke besluiten
Waardering: B (5)
[168]
Handeling: Het (mede)opstellen van jaarlijkse opgaven ter publicatie in de Staatscourant en de Javasche Courant van de hoeveelheid munten die van elke muntsoort voor rekening van den lande is aangemunt en van Regeringswege is ingetrokken.
Periode: 1940–(…)
Grondslag: Indische Muntwet 1912, artikel 10
Produkt: Jaaropgaven
Waardering: B (3)
[169]
Handeling: Het uitgeven van biljetten aan toonder, welke de houder recht geven op een vordering op Nieuw-Guinea tot het op het biljet uitgedrukt bedrag.
Periode: 1950–(1962)
Grondslag: Besluit van 13 maart 1950, Stb. K 81, houdende een voorlopige voorziening met betrekking tot het geldwezen van Nieuw-Guinea (Besluit geldregeling Nieuw-Guinea), art. 3;
Wet van 10 augustus 1951, Stb. 346, houdende voorzieningen met betrekking tot het geldwezen van Nieuw-Guinea, art. 3
Produkt: Biljetten aan toonder
Waardering: B (1)
[170]
Handeling: Het stellen van nadere regels betreffende de uitgifte, de inwisseling en de intrekking van biljetten aan toonder.
Periode: 1950–(1962)
Grondslag: Besluit van 13 maart 1950, Stb. K 81, houdende een voorlopige voorziening met betrekking tot het geldwezen van Nieuw-Guinea (Besluit geldregeling Nieuw-Guinea), art. 3;
Wet van 10 augustus 1951, Stb. 346, houdende voorzieningen met betrekking tot het geldwezen van Nieuw-Guinea, art. 3
Produkt; Ministeriële regelingen
Waardering: B (5)
[171]
Handeling: Het stellen van nadere regels houdende nadere regels ter uitvoering van het bepaalde in lid 1 (‘Nevens de in artikel 3 bedoelde biljetten zijn wettig betaalmiddel, doch slechts tot de daarbij aangegeven bedragen, de volgende munten ...’).
Periode: 1950–(1962)
Grondslag: Besluit van 13 maart 1950, Stb. K 81, houdende een voorlopige voorziening met betrekking tot het geldwezen van Nieuw-Guinea (Besluit geldregeling Nieuw-Guinea), artikel 4, lid 2;
Wet van 10 augustus 1951, Stb. 346, houdende voorzieningen met betrekking tot het geldwezen van Nieuw-Guinea, artikel 4, lid 2
N.B. In artikel 4 staat ‘door Ons’; niet duidelijk is wie van de Ministers [Minister van Financiën, Minister zonder portefeuille, Minister voor Uniezaken en Overzeese Rijksdelen] daarmee precies wordt bedoeld; andere artikelen spreken expliciet van de Minister zonder portefeuille of de Minister van Uniezaken etc.
Produkt; Ministeriële regelingen
Opmerking: Zolang er niet over de in het eerste lid van de bij de handeling bedoelde munten werd beschikt, traden de overeenkomstige Nederlandse munten, bedoeld in de Muntwet 1948, daarvoor in de plaats.
Waardering: B (5)
[172]
Handeling: Het vaststellen van bepalingen met betrekking tot de buiten omloop stelling en de inlevering van de op het tijdstip van inwerkingtreding van het Besluit/ op 30 maart 1950 in Nieuw-Guinea in omloop zijnde wettige betaalmiddelen, het in omloop brengen van de krachtens dit besluit/ deze wet uitgegeven wettige betaalmiddelen en de voorwaarden waaronder een en ander zal geschieden.
Periode: 1950–(1962)
Grondslag: Besluit van 13 maart 1950, Stb. K 81, houdende een voorlopige voorziening met betrekking tot het geldwezen van Nieuw-Guinea (Besluit geldregeling Nieuw-Guinea), art. 5;
Wet van 10 augustus 1951, Stb. 346, houdende voorzieningen met betrekking tot het geldwezen van Nieuw-Guinea, art. 5
Produkt; Ministeriële regelingen
Waardering: B (5)
[173]
Handeling: Het verlenen van machtigingen aan de Gouverneur-Generaal om de termijn waarvoor de Javasche Bank als circulatiebank mag optreden niet te verlengen.
Periode: 1940–(1948)
Grondslag: Javasche Bankwet c.a., art. 2
Produkt; Machtigingen/Ministeriële regelingen
Waardering: B (5)
[174]
Handeling: Het naar gelang van behoefte uitgeven van biljetten aan toonder, welke de houder recht geven op een vordering op het Gouvernement tot het op het biljet uitgedrukt bedrag in Nederlandsch-Indische Gouvernements guldens.
Periode: 1943–1950
Grondslag: Besluit van 2 maart 1943, Stb. D 8, houdende machtiging tot uitgifte van biljetten aan toonder als betaalmiddel in Nederlandsch-Indië, art. 1.
N.B. Gewijzigd bij Besluit van 9 maart 1945 (voor wat betreft de waarde van de uit te geven biljetten en het totale bedrag van uitgifte). [Minister van Overzeesche Gebiedsdeelen]
Buiten werking bij Besluit van 2 maart 1950, Stb. K 81.
Opmerking: De in het Besluit van 2 maart 1950 opgenomen bevoegdheden van de Minister van Koloniën vloeien voort uit het Besluit van 6 mei 1942, Stb. C 39, waarin hij belast wordt met de uitoefening van het algemeen bestuur van Nederlands-Indië, met de titel van waarnemend Gouverneur-Generaal.
Produkt; Biljetten aan toonder
Waardering: B (1)
[175]
- Regeling
- Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Geldvoorziening vanaf 1940 (Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties)
- Soort
- Archiefselectielijst
- Geldend vanaf
- 10-10-2007
- BWB-id
- BWBR0022581
- Versie
- 2007-10-10_0