1.4 Definitie en doelstellingen Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Regionaal en Ruimtelijk Economisch Beleid 1945– (Minister van Verkeer & Waterstaat)
Een rapport van de Sociaal-Economische Raad (SER) uit 1973 geeft de volgende definitie van het regionaal beleid van de regering
1 SER, Advies inzake een selectieve investeringsregeling […], 1973.
. Het regionaal (economisch) beleid van de regering ‘houdt zich in de eerste plaats bezig met de vraag of […] zowel nationaal als in de verschillende landsdelen, een verhoging van het welzijn mogelijk is door specifieke, op bepaalde regio’s gerichte maatregelen.’
De overheid had aanvankelijk de volgende doelstellingen voor ogen:
– De bestrijding van structurele werkloosheid;
– De verbetering van ruimtelijke spreiding van de bevolking door spreiding van bestaansbronnen;
– De bestrijding van een vertrekoverschot in ‘structureel zwakke’ gebieden.
De doelstellingen van het regionaal beleid zijn in de loop van de jaren regelmatig verschoven. Belangrijke discussiepunten werden onder andere gevormd door de vraag of sterke regio’s ook bij het regionaal beleid betrokken moesten worden en door de vraag of het regionaal beleid centraal of decentraal moest worden vormgegeven.
In de nota ‘Regio’s zonder grenzen’ stelde de Minister dat het regionaal beleid tot 1980 zich beperkte tot het ‘verkleinen van de achterstand’, met als doel een ‘grotere gelijkwaardigheid van de regionale welvaart’ te bewerkstelligen
2 Ministerie van EZ, Regio’s zonder grenzen, 1990–1994(Nota)
. Vanaf 1981 streeft het Ministerie naar ‘vergroting van de bijdrage van alle regio’s aan de nationale welvaartsontwikkeling’. Dat betekende een decentralisatiebeleid op economisch terrein en bovendien een ‘voorwaardenscheppend beleid’, gericht op verbetering van de infrastructuur. Vanaf 1991 publiceert het Ministerie geen nota’s Regionaal (Sociaal-) Economisch Beleid meer. Er werd vanuit gegaan dat het terrein onderdeel vormt van het ruimtelijk economisch beleid.
Het ruimtelijk economisch beleid wordt tegenwoordig thematisch door het Directoraat-generaal Ondernemen & Innovatie aangestuurd.
3 De huidige organisatie van het Ministerie van Economische Zaken is , o.a. weergegeven in een organogram, te raadplegen op de website: www.ez.nl.
De volgende onderwerpen zijn daarbij van belang:
– De samenhang met de ruimtelijke ordening en het milieubeheer, in overleg met het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM);
– De verbetering van de infrastructuur, met name door verbeterde bedrijfsterreinen;
– Een specifiek beleid voor de grote steden;
– Het vergroten van de omvang van het toerisme in en naar Nederland.
Samenvattend is te stellen dat uit het institutioneel onderzoek is gebleken dat het beleidsterrein, wat betreft het overheidshandelen, zich op hoofdlijnen laat splitsen in een drietal uitgangspunten:
De bij het Ministerie gesignaleerde achterstandsgebieden;
Ruimtelijke aangelegenheden;
Kamers van Koophandel.
Oorspronkelijk werd het beleid ten aanzien van ruimtelijke aangelegenheden, op regionaal gebied behartigd door de Kamers van Koophandel. De kamers van Koophandel bestaan vanaf de 19e eeuw. Het zijn afzonderlijke regionale bestuursorganen met eigen bevoegdheden, waarvoor vanaf 1916 wettelijke regels zijn vastgesteld. Naast het behartigen van de regionale economische belangen voeren deze zelfstandige adviesorganen ook taken uit die hen door verschillende wetten zijn toegekend. De Minister van Economische Zaken heeft, in het belang van het voortbestaan van deze organen, een toezichthoudende rol. De besluitvorming van de rijksoverheid ten aanzien van de Kamers van Koophandel beperkt zich tot het opleggen van ambtelijke uitvoeringstaken afkomstig van regelgeving aangestuurd vanuit verschillende beleidsterreinen. Overheidshandelingen met betrekking tot de Kamers van Koophandel op het gebied van het Regionaal Economisch Beleid zijn het derde uitgangspunt van het Rapport Institutioneel Onderzoek.
In dit RIO wordt ook aandacht besteed aan crisisbeheersing. Voor alle Ministeries zijn bevoegde autoriteiten aangewezen in de provincies om op te treden bij rampen en andere noodsituaties. Voor het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij zijn dit de voedselcommissarissen, voor het Ministerie van Binnenlandse Zaken de commissarissen van de Koningin. Voor het Ministerie van Economische Zaken zijn de economisch commissarissen aangewezen als bevoegde autoriteit. Meer informatie kunt u vinden in het PIVOT-rapport nr. 169 ‘Handelend met kennis van zaken’ (auteur R. Haans, DOXiS, Leidschendam 2002/2005).
Hieronder zal nader worden ingegaan op de afbakening van regionaal en ruimtelijk economisch beleid ten opzichte van andere beleidsterreinen.
- Regeling
- Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Regionaal en Ruimtelijk Economisch Beleid 1945– (Minister van Verkeer & Waterstaat)
- Soort
- Archiefselectielijst
- Geldend vanaf
- 07-10-2007
- BWB-id
- BWBR0022560
- Versie
- 2007-10-07_0