wetzoeker

Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden

Besluit van 5 september 2007, houdende nadere regels omtrent gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden)

Soort
AMvB
Geldend vanaf
01-01-2024
Rechtsgebied
Agrarisch recht
Ministerie
Economische Zaken
BWB-id
BWBR0022530
Versie
2024-01-01_0
SHA-256 bron
f2d9f66ad503b078ef3810ac98856b8fe1ba3c0897a59ba89210b0739f200f91

Officiële tekst op wetten.overheid.nl

Inhoud (101)
  1. Artikel 1
  2. Artikel 1a
  3. Artikel 2
  4. Artikel 3
  5. Artikel 4
  6. Artikel 5
  7. Artikel 6
  8. Artikel 7
  9. Artikel 8
  10. Artikel 8a
  11. Artikel 8b
  12. Artikel 8c
  13. Artikel 8d
  14. Artikel 8e
  15. Artikel 8f
  16. Artikel 8g
  17. Artikel 9
  18. Artikel 10
  19. Artikel 11
  20. Artikel 12
  21. Artikel 13
  22. Artikel 14
  23. Artikel 15
  24. Artikel 16
  25. Artikel 17
  26. Artikel 17a
  27. Artikel 18
  28. Artikel 19
  29. Artikel 20
  30. Artikel 21
  31. Artikel 22
  32. Artikel 23
  33. Artikel 24
  34. Artikel 25
  35. Artikel 25a
  36. Artikel 25b
  37. Artikel 25c
  38. Artikel 26
  39. Artikel 27
  40. Artikel 27a
  41. Artikel 27b
  42. Artikel 27c
  43. Artikel 27d
  44. Artikel 28
  45. Artikel 29
  46. Artikel 30
  47. Artikel 31
  48. Artikel 32
  49. Artikel 32a
  50. Artikel 32aa
  51. Artikel 32b
  52. Artikel 33
  53. Artikel 33a
  54. Artikel 34
  55. Artikel 35
  56. Artikel 36
  57. Artikel 37
  58. Artikel 38
  59. Artikel 39
  60. Artikel 40
  61. Artikel 41
  62. Artikel 42
  63. Artikel 43
  64. Artikel 44
  65. Artikel 45
  66. Artikel 46
  67. Artikel 47
  68. Artikel 48
  69. Artikel 49
  70. Artikel 50
  71. Artikel 51
  72. Artikel 52
  73. Artikel 53
  74. Artikel 54
  75. Artikel 55
  76. Artikel 56
  77. Artikel 57
  78. Artikel 58
  79. Artikel 59
  80. Artikel 60
  81. Artikel 61
  82. Artikel 62
  83. Artikel 63
  84. Artikel 64
  85. Artikel 65
  86. Artikel 66
  87. Artikel 67
  88. Artikel 68
  89. Artikel 69
  90. Artikel 70
  91. Artikel 71
  92. Artikel 72
  93. Artikel 73
  94. Artikel 74
  95. Artikel 75
  96. Artikel 76
  97. Artikel 77
  98. Artikel 78
  99. Bijlage 1 — behorende bij artikel 8a, eerste lid
  100. Bijlage 2 — , behorend bij artikel 8b, tweede lid
  101. Bijlage 3 — behorend bij artikel 26, eerste lid

Hoofdstuk 1 — Algemene begrippen

Artikel 1

In dit besluit en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. wet: Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden;

b. verordening 396/2005/EG: Verordening nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 februari 2005 tot vaststelling van maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen in of op levensmiddelen en diervoeders van plantaardige en dierlijke oorsprong en houdende wijziging van Richtlijn 91/414/EG van de Raad (PbEU L 70);

c. richtlijn 67/548/EEG: richtlijn nr. 67/548/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 juni 1967 betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen (PbEG L 196);

d. richtlijn 2000/60/EG: richtlijn nr. 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PbEG L 327);

e. richtlijn 2004/10/EG: richtlijn nr. 2004/10/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 11 februari 2004 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de toepassing van de beginselen van goede laboratoriumpraktijken en het toezicht op de toepassing ervan voor tests op chemische stoffen (gecodificeerde versie) (PbEU L 50);

f. bodem: bodem als bedoeld in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet;

g. gasvormende toestand: toestand van een gewasbeschermingsmiddel of biocide waarin het middel of de biocide na gasvorming zijn werking verkrijgt;

h. maximumresidugehalte (MRL): het hoogste wettelijk toegestane concentratieniveau van een residu van gewasbeschermingsmiddelen of biociden in of op een levensmiddel of diervoeder op basis van goede landbouwpraktijken en de laagste blootstelling van consumenten die noodzakelijk is met het oog op de bescherming van kwetsbare consumenten;

i. richtlijn 1999/45/EG: richtlijn nr. 1999/45/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 31 mei 1999 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten (PbEG 1999, L 200);

j. uitvoeringsverordening (EU) 545/2011: Verordening (EU) nr. 545/2011 van de Commissie van 10 juni 2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad wat de gegevensvereisten voor gewasbeschermingsmiddelen betreft (PbEU 2011, L 155);

k. uitvoeringsverordening (EU) 546/2011: Verordening (EU) nr. 546/2011 van de Commissie van 10 juni 2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad wat uniforme beginselen voor de evaluatie en de toelating van gewasbeschermingsmiddelen betreft (PbEU 2011, L 155);

l. verhard oppervlak: oppervlak dat is verhard door bebouwing, bestrating en overige verhardingen aangebracht op de bodem voor verbetering van draagvlak en begaanbaarheid;

m. onverhard oppervlak: oppervlak niet zijnde verhard oppervlak.

Hoofdstuk 1 — Algemene begrippen

Artikel 1a

Dit besluit berust mede op artikel 9.2.2.1, eerste en tweede lid, onder b, van de Wet milieubeheer.

Hoofdstuk 2 — Taken van het college

Artikel 2

Het college is belast met:

a. de aan Nederland opgedragen werkzaamheden, bedoeld in de artikelen 6 tot en met 9 van hoofdstuk II van verordening 396/2005/EG alsmede het doen van voorstellen voor het vaststellen van het maximaal toelaatbare residugehalte (MRL) door Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Onze Minister van Economische Zaken, voor zover deze niet communautair zijn vastgesteld;

b. het vaststellen van het maximaal toelaatbaar risiconiveau van gewasbeschermingsmiddelen voor bodem of waterorganismen op verzoek van de houder van een toelating, bedoeld in artikel 3, onderdeel 24, van verordening (EG) 1107/2009 of op verzoek van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, indien dit risiconiveau niet reeds bij een toelating door het college is vastgesteld;

c. het vaststellen of ambtshalve wijzigen van de wijze waarop op een etiket de voorschriften worden vermeld die bij of krachtens dit besluit zijn vastgesteld voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen of biociden;

d. het adviseren aan Onze Minister over de toepassing van artikel 38 van de wet;

e. het naar aanleiding van een ontwerp-beoordelingsverslag als bedoeld in artikel 11 van verordening (EG) nr. 1107/2009, in het kader van artikel 12, eerste en tweede lid, van verordening (EG) nr. 1107/2009 maken van schriftelijke opmerkingen over werkzame stoffen van gewasbeschermingsmiddelen.

Hoofdstuk 3 — Aanvragen inzake gewasbeschermingsmiddelen en biociden › § 1 — Te leveren gegevens

Artikel 3

Vervallen

Hoofdstuk 3 — Aanvragen inzake gewasbeschermingsmiddelen en biociden › § 1 — Te leveren gegevens

Artikel 4

Vervallen

Hoofdstuk 3 — Aanvragen inzake gewasbeschermingsmiddelen en biociden › § 1 — Te leveren gegevens

Artikel 5

Vervallen

Hoofdstuk 3 — Aanvragen inzake gewasbeschermingsmiddelen en biociden › § 2 — Beslistermijnen

Artikel 6

Vervallen

Hoofdstuk 3 — Aanvragen inzake gewasbeschermingsmiddelen en biociden › § 2 — Beslistermijnen

Artikel 7

Vervallen

Hoofdstuk 4 — Beoordeling van aanvragen › § 1 — Beoordeling van aanvragen inzake gewasbeschermingsmiddelen

Artikel 8

Het college verleent geen toelating voor niet-professioneel gebruik van een gewasbeschermingsmiddel dat overeenkomstig richtlijn 1999/45/EG is ingedeeld als giftig, zeer giftig, kankerverwekkend, mutageen of vergiftig voor de voortplanting.

Hoofdstuk 4 — Beoordeling van aanvragen › § 1 — Beoordeling van aanvragen inzake gewasbeschermingsmiddelen

Artikel 8a

1 Het college hanteert in het kader van de beoordeling van gewasbeschermingsmiddelen, bedoeld in artikel 36, eerste lid, van verordening (EG) 1107/2009, slechts de in de artikelen 8c en 8e tot en met 8g en de in bijlage 1 bedoelde beoordelingsmethoden, voor zover een Europees richtsnoer dat is vastgesteld volgens de procedure, bedoeld in artikel 77 van die verordening, geen beoordelingsmethode over hetzelfde onderwerp bevat.

2 Onze Minister van Economische Zaken doet mededeling in de Staatscourant van de vaststelling of wijziging van een in een Europees richtsnoer opgenomen beoordelingsmethode als bedoeld in het eerste lid.

Hoofdstuk 4 — Beoordeling van aanvragen › § 1 — Beoordeling van aanvragen inzake gewasbeschermingsmiddelen

Artikel 8b

Vervallen

Hoofdstuk 4 — Beoordeling van aanvragen › § 1 — Beoordeling van aanvragen inzake gewasbeschermingsmiddelen

Artikel 8c

Het college schat de kwantitatieve blootstelling aan het gewasbeschermingsmiddel voor de toepasser van een middel bestemd voor niet-professioneel gebruik, bedoeld in uitvoeringsverordening (EU) 545/2011, bijlage, deel A, punt 7.2.1.1, zonder rekening te houden met het effect van persoonlijke beschermingsmaatregelen.

Hoofdstuk 4 — Beoordeling van aanvragen › § 1 — Beoordeling van aanvragen inzake gewasbeschermingsmiddelen

Artikel 8d

Vervallen

Hoofdstuk 4 — Beoordeling van aanvragen › § 1 — Beoordeling van aanvragen inzake gewasbeschermingsmiddelen

Artikel 8e

Het college komt bij de toepassing van het uniforme beginsel, bedoeld in uitvoeringsverordening (EU) 546/2011, bijlage, deel I, onderdeel C Besluitvorming, punt 2.5.1.2, tot het oordeel dat een gewasbeschermingsmiddel geen onaanvaardbaar effect op het milieu heeft als bedoeld in artikel 4, derde lid, onderdeel e, van verordening (EG) 1107/2009 indien bij de toepassing van dit beginsel wordt aangetoond dat:

a. de concentratie van een werkzame stof, een relevant reactieproduct of een relevant afbraakproduct in het grondwater gelijk is aan of lager is dan 0,1 μg/liter bij toepassing van één van de volgende methoden van beoordelen van het gewasbeschermingsmiddel:

1°. een berekening met het model PEARL voor het FOCUS Kremsmünster scenario, bedoeld in bijlage 1 onder 12.

2°. een berekening met het model GeoPEARL, bedoeld in bijlage 1 onder 12.

3°. een toetsing aan metingen van concentraties in het bovenste grondwater,

4°. een berekening voor de verzadigde zone, bepaald volgens een rekenvoorschrift waarbij wordt uitgegaan van een afbraaksnelheid volgens de eerste orde kinetiek na 4 jaren op 10 meter diepte,

5°. een toetsing aan metingen van concentraties in het diepere grondwater op minimaal 10 meter beneden het maaiveld, of

b. bij het gebruik van een gewasbeschermingsmiddel in een grondwaterbeschermingsgebied de maximaal toelaatbare concentratie van een werkzame stof, een relevant reactieproduct of een relevant afbraakproduct van 0,01 μg/liter gebaseerd op een berekening of toetsing als bedoeld in onderdeel a, onder 1 tot en met 3 niet wordt overschreden, tenzij met nadere gegevens aan de hand van een berekening of toetsing als bedoeld in onderdeel a, onder 3, 4 of 5, wordt aangetoond dat in grondwaterbeschermingsgebieden de waarde van 0,1 μg/liter niet wordt overschreden.

Hoofdstuk 4 — Beoordeling van aanvragen › § 1 — Beoordeling van aanvragen inzake gewasbeschermingsmiddelen

Artikel 8f

Bij de risicobeoordeling voor waterorganismen, vogels, zoogdieren, niet-doelwitarthropoden, niet-doelwitplanten of oppervlaktewater bestemd voor de bereiding van drinkwater, hanteert het college specifieke driftcijfers. Het college stelt deze cijfers vast en maakt hen bekend op zijn website.

Hoofdstuk 4 — Beoordeling van aanvragen › § 1 — Beoordeling van aanvragen inzake gewasbeschermingsmiddelen

Artikel 8g

Het college beoordeelt bij de toepassing van het uniforme beginsel als bedoeld in uitvoeringsverordening (EU) 546/2011, deel I, onderdeel C Besluitvorming, punt 2.5.1.3, aan de hand van de beoordelingsmethoden, bedoeld in bijlage 1 onder 14 en 15.

Hoofdstuk 4 — Beoordeling van aanvragen › § 1 — Beoordeling van aanvragen inzake gewasbeschermingsmiddelen

Artikel 9

Het college beoordeelt een aanvraag bij het ontbreken van vastgestelde beoordelingsmethoden aan de hand van de uniforme beginselen voor het evalueren en toelaten van gewasbeschermingsmiddelen, bedoeld in artikel 29, zesde lid, van verordening (EG) 1107/2009, voor zover dit naar zijn oordeel naar wetenschappelijk inzicht redelijkerwijs mogelijk is.

Hoofdstuk 4 — Beoordeling van aanvragen › § 1 — Beoordeling van aanvragen inzake gewasbeschermingsmiddelen

Artikel 10

Vervallen

Hoofdstuk 4 — Beoordeling van aanvragen › § 1 — Beoordeling van aanvragen inzake gewasbeschermingsmiddelen

Artikel 11

1 Het college kan bij de toelating het voorschrift opnemen dat het gewasbeschermingsmiddel slechts wordt toegepast na een melding bij Onze Minister van Economische Zaken.

2 Het college houdt bij zijn beslissing omtrent voorschriften als bedoeld in artikel 29, derde lid, van de wet, rekening met onder meer:

a. de resultaten van de risicobeoordeling, met name de relatie tussen blootstelling en effect;

b. de aard en de ernst van het effect;

c. het risicobeheer dat kan worden toegepast;

d. het toepassingsgebied van het gewasbeschermingsmiddel;

e. de werkzaamheid van het gewasbeschermingsmiddel;

f. de fysische eigenschappen van het gewasbeschermingsmiddel;

g. de naleefbaarheid van het voorschrift;

h. de handhaafbaarheid van het voorschrift; en

i. de geschiktheid voor niet-professionele gebruikers.

3 Onze Minister kan regels stellen voor de wijze waarop het college uitvoering geeft aan het eerste en tweede lid alsmede de wijze waarop het college bij de toelating voorschriften geeft voor de uitvoering van geïntegreerde gewasbescherming, goede gewasbeschermingspraktijken of het gebruik van voertuigen, werktuigen, methoden, technieken en materialen.

4 Het college stelt bij iedere toelating voor niet-professioneel gebruik voorschriften als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onderdelen b en c, van de wet. Deze voorschriften hebben betrekking op gebruiksklare formuleringen.

Hoofdstuk 4 — Beoordeling van aanvragen › § 2 — Beoordeling van aanvragen inzake biociden

Artikel 12

Vervallen

Hoofdstuk 4 — Beoordeling van aanvragen › § 2 — Beoordeling van aanvragen inzake biociden

Artikel 13

Vervallen

Hoofdstuk 4 — Beoordeling van aanvragen › § 2 — Beoordeling van aanvragen inzake biociden

Artikel 14

1 Biociden worden bij de productie en distributie van drinkwater niet toegepast.

2 In afwijking van het eerste lid mogen biociden bij de productie en distributie worden toegepast, indien is voldaan aan de bij regeling van Onze Minister gestelde voorwaarden, waaronder de mogelijkheid van een melding bij Onze Minister van Infrastructuur en Milieu.

Hoofdstuk 4 — Beoordeling van aanvragen › § 2 — Beoordeling van aanvragen inzake biociden

Artikel 15

Vervallen

Hoofdstuk 4 — Beoordeling van aanvragen › § 2 — Beoordeling van aanvragen inzake biociden

Artikel 16

Vervallen

Hoofdstuk 5 — Handel en gebruik › § 1 — Bewijs van vakbekwaamheid

Artikel 17

1 Een bewijs van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 71, tweede lid, onderdeel a, van de wet, inzake gewasbeschermingsmiddelen kan worden verstrekt aan de persoon die:

a) een bij regeling van Onze Minister aangewezen opleiding heeft gevolgd;

b) een bij regeling van Onze Minister aangewezen examen heeft afgelegd, of

c) een instructie heeft gevolgd waarvan de bij regeling van Onze Minister aangewezen instantie heeft geoordeeld dat hiermee voldoende kennis van de in bijlage I bij richtlijn 2009/128/EG genoemde onderwerpen wordt verkregen, gelet op de taken en verantwoordelijkheden van die persoon.

2 Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld over het vereiste kennisniveau voor de onderwerpen, genoemd in bijlage I bij richtlijn 2009/128/EG, waarbij onderscheid kan worden gemaakt tussen en in voorkomend geval binnen de groepen van distributeurs van gewasbeschermingsmiddelen, voorlichters en professionele gebruikers van gewasbeschermingsmiddelen.

3 Het bewijs van vakbekwaamheid vermeldt de volledige naam, het adres, de woonplaats en de geboortedatum van betrokkene en kan een opsomming bevatten van onderwerpen waarvan kennis is verworven en op welk niveau.

4 De gelding van het bewijs van vakbekwaamheid, dat is verkregen op grond van het eerste lid, onderdeel c, geeft geen recht op het ontvangen of voorhanden hebben van gewasbeschermingsmiddelen, toegelaten voor professioneel gebruik.

5 Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld over de gelding van het bewijs van vakbekwaamheid, waarbij de gelding kan worden beperkt tot bepaalde gewasbeschermingsmiddelen, bepaalde toepassingen of bepaalde ruimten of terreinen.

Hoofdstuk 5 — Handel en gebruik › § 1 — Bewijs van vakbekwaamheid

Artikel 17a

1 Een bewijs van vakbekwaamheid inzake biociden als bedoeld in artikel 71, tweede en vierde lid, van de wet wordt verstrekt aan de persoon die voldoet aan bij regeling van Onze Minister te stellen voorwaarden inzake:

a. de distributie van gasvormige en gasvormende biociden,

b. de bestrijding van mollen en woelratten,

c. het afweren of bestrijden van een dierplaag,

d. het bestrijden van een houtrotverwekkende schimmel, of

e. het toepassen van gasvormige en gasvormende biociden, met uitzondering van de bestrijding van mollen en woelratten als bedoeld in onderdeel b.

2 De ondernemer van een bedrijf of hoofdverantwoordelijke voor een instelling is vrijgesteld van een bewijs van vakbekwaamheid voor handelingen met betrekking tot biociden:

a. die niet zijn genoemd in het eerste lid, of

b. die zijn genoemd in het eerste lid en die worden uitgevoerd door:

1°. een bedrijfsvoerder die in dienst is en die beschikt over een daartoe verstrekt bewijs van vakbekwaamheid als bedoeld in het eerste lid, of

2°. een bedrijf dat voor de ondernemer een biocide toepast en waarvan de persoon die de biocide distribueert aan klanten of toepast, beschikt over een daartoe verstrekt bewijs van vakbekwaamheid als bedoeld in het eerste lid.

3 Artikel 71, eerste, tweede en derde lid, van de wet, is van overeenkomstige toepassing op de in het eerste lid bedoelde gevallen.

4 Het bewijs van vakbekwaamheid vermeldt de volledige naam, het adres, de woonplaats en de geboortedatum van betrokkene en kan een opsomming bevatten van onderwerpen waarvan kennis is verworven en op welk niveau.

5 Bij regeling van Onze Minister kunnen regels of nadere regels worden gesteld met betrekking tot de onderwerpen, genoemd in de artikelen 71, tweede lid, van de wet.

Hoofdstuk 5 — Handel en gebruik › § 1 — Bewijs van vakbekwaamheid

Artikel 18

1 Een bewijs van vakbekwaamheid wordt verstrekt voor een termijn van vijf jaar na het tijdstip waarop de opleiding is afgerond, het examen is afgelegd, of de instructie is verkregen, overeenkomstig artikel 17, eerste lid, of aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 17a, eerste lid, is voldaan.

2 De geldigheid van een bewijs van vakbekwaamheid wordt na afloop van de termijn, bedoeld in het eerste lid, ambtshalve verlengd onder door Onze Minister bij ministeriële regeling vast te stellen voorwaarden.

3 De vernieuwing van een bewijs van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 17, eerste lid, en 17a, eerste lid, wordt geweigerd indien niet is voldaan aan bij regeling door Onze Minister vast te stellen voorwaarden inzake scholing.

4 Onze Minister van Economische Zaken, onderscheidenlijk Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, kan een bewijs van vakbekwaamheid voor gewasbescherming, onderscheidenlijk biociden, in een geval als bedoeld in artikel 85, eerste of derde lid, van de wet, tijdelijk of permanent intrekken. Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld met betrekking tot de gevallen en de mate waarin tot intrekking kan worden overgegaan.

5 Onze Minister stelt bij ministeriële regeling vast wanneer en op welke wijze na intrekking opnieuw een bewijs van vakbekwaamheid verkregen kan worden.

Hoofdstuk 5 — Handel en gebruik › § 1 — Bewijs van vakbekwaamheid

Artikel 19

1 Onze Minister van Economische Zaken, onderscheidenlijk Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, kan een bewijs van vakbekwaamheid voor gewasbescherming, onderscheidenlijk biociden, verstrekken aan een persoon, die onderdaan is van een betrokken staat als bedoeld in artikel 1 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties wanneer op grond van artikel 6 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties is aangetoond dat deze persoon over gelijkwaardige kwalificaties beschikt als de houder van een bewijs van vakbekwaamheid dat is verkregen op grond van artikel 17, eerste lid, of 17a, eerste lid.

2 Onze Minister van Economische Zaken, onderscheidenlijk Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, kan een bewijs van vakbekwaamheid voor gewasbescherming, onderscheidenlijk biociden, verstrekken aan een persoon die beschikt over een getuigschrift niet ouder dan vijf jaar van een door Onze Minister erkende buitenlandse opleiding buiten een betrokken staat als bedoeld in het eerste lid, wanneer deze persoon door ervaring of opleiding na het verkrijgen van het getuigschrift nog steeds over een gelijkwaardige kwalificatie beschikt als de houder van een bewijs van vakbekwaamheid dat is verkregen op grond van artikel 17, eerste lid, of 17a, eerste lid.

3 De houder van een bewijs van vakbekwaamheid beheerst de Nederlandse taal op een zodanig niveau dat voorschriften op etiketten van gewasbeschermingsmiddelen en biociden en andere voor de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen en biociden bij of krachtens de wet geldende voorschriften begrepen en uitgevoerd kunnen worden.

Hoofdstuk 5 — Handel en gebruik › § 2 — Invoer en doorvoer

Artikel 20

Vervallen

Hoofdstuk 5 — Handel en gebruik › § 2 — Invoer en doorvoer

Artikel 21

Vervallen

Hoofdstuk 5 — Handel en gebruik › § 2 — Invoer en doorvoer

Artikel 22

Vervallen

Hoofdstuk 5 — Handel en gebruik › § 3 — Administratie van toegelaten gewasbeschermingsmiddelen en biociden

Artikel 23

Vervallen

Hoofdstuk 5 — Handel en gebruik › § 3 — Administratie van toegelaten gewasbeschermingsmiddelen en biociden

Artikel 24

1 Een ieder die bedrijfsmatig biociden distribueert, levert of aflevert houdt een administratie bij.

2 De administratie, bedoeld in het eerste lid, bevat ten minste de volgende gegevens:

a. de naam, zoals die op de verpakking is vermeld, en het toelatingsnummer,

b. het aantal verpakkingseenheden per ontvangst of aflevering alsmede de op de verpakking aangegeven volume- of massa-eenheden,

c. de totale hoeveelheid voorraad en de veranderingen van de voorraad,

d. de datum van ontvangst, aflevering of verandering als bedoeld in de onderdelen b en c, en

e. de naam, het adres en de woonplaats van de leverancier of de afnemer van de biocide.

3 De administratie bestrijkt een periode van de laatste vijf jaar. De administratie is op een toegankelijke wijze opgesteld, op eenvoudige wijze beschikbaar en aanwezig op het bedrijf.

4 Onze Minister kan categorieën van biociden uitzonderen van het gebod, bedoeld in het eerste lid.

5 Bij regeling van Onze Minister kunnen aanvullende administratievoorschriften worden gesteld voor producenten, distributeurs, importeurs en gebruikers van biociden.

Hoofdstuk 5 — Handel en gebruik › § 3 — Administratie van toegelaten gewasbeschermingsmiddelen en biociden

Artikel 25

1 Een ieder die biociden, die niet zijn aangemerkt als geschikt voor niet-professioneel gebruik, voor gebruikers voorhanden heeft, ontvangt of toepast, houdt een administratie bij.

2 De administratie, bedoeld in het eerste lid, omvat ten minste de volgende gegevens:

a. de naam, zoals die op de verpakking is vermeld, en het toelatingsnummer,

b. de ontvangen of toegepaste hoeveelheden biociden,

c. de voorraad middelen op 1 januari van enig kalenderjaar,

d. de datum van ontvangst of toepassing als bedoeld in onderdeel b, en

e. de naam, het adres en de woonplaats van de leverancier of de gebruiker van de biocide.

3 De administratie bestrijkt een periode van de laatste vijf jaar.

4 Onze Minister kan categorieën van middelen uitzonderen van het gebod, bedoeld in het eerste lid.

5 Onze Minister kan bij ministeriële regeling aanvullende administratievoorschriften stellen.

Hoofdstuk 5 — Handel en gebruik › § 3 — Administratie van toegelaten gewasbeschermingsmiddelen en biociden

Artikel 25a

Bij regeling van Onze Minister kunnen ter uitvoering van de verplichtingen, bedoeld in artikel 67 van verordening (EG) 1107/2009, regels of nadere regels worden gesteld met betrekking tot de registratie van de productie, de invoer, de uitvoer, het op de markt brengen, de opslag of het gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen.

Hoofdstuk 5 — Handel en gebruik › § 3 — Administratie van toegelaten gewasbeschermingsmiddelen en biociden

Artikel 25b

Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld ter uitvoering van artikel 73, vierde lid, van de wet.

Hoofdstuk 5 — Handel en gebruik › § 3a — Afleveren biociden

Artikel 25c

Een distributeur die biociden op de markt brengt draagt er in de wijze van zijn aflevering zorg voor dat biociden uitsluitend worden geleverd aan de in de toelating aangegeven gebruikers of hun personeel.

Hoofdstuk 5 — Handel en gebruik › § 4 — Goede praktijken, geïntegreerde gewasbescherming en juist gebruik

Artikel 26

1 Een ieder die met het oog op gebruik in enig jaar gewasbeschermingsmiddelen voorhanden of in voorraad heeft, of voornemens is gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken of onder zijn verantwoordelijkheid dan wel in zijn opdracht te laten gebruiken, houdt gedurende het teeltseizoen een gewasbeschermingsmonitor bij waarin aandacht wordt besteed aan de aspecten genoemd in bijlage 3. De monitor wordt binnen twee maanden na een teelt afgerond.

2 In de gewasbeschermingsmonitor wordt vermeld op welke wijze bij de behandeling van uitgangsmateriaal, tijdens het telen, bij de behandeling van geoogste planten of ander plantaardig materiaal, waaronder bij toepassing op verharde oppervlakken, invulling en uitvoering is gegeven aan de beginselen van goede gewasbeschermingspraktijken en geïntegreerde gewasbescherming, zoals opgenomen in de bijlage III bij richtlijn 2009/128/EG.

3 Onze Minister kan op verzoek van een beroepsinstantie bij beleidsregel een gids voor goede gewasbeschermingspraktijken vaststellen.

4 Een gids voor goede gewasbeschermingspraktijken als leidraad voor een juiste uitvoering van geïntegreerde gewasbescherming kan onder meer uitgangspunten voor de opstelling van een gewasbeschermingsmonitor en handelwijzen voor de teelt bevatten.

5 Onze Minister kan bij ministeriële regeling teeltvoorschriften vaststellen die bij de opstelling van een gewasbeschermingsmonitor in acht genomen worden.

6 Het eerste lid is niet van toepassing op degene die:

a. uitsluitend een gewasbeschermingsmiddel voor niet-professioneel gebruik toepast,

b. onder de verantwoordelijkheid dan wel in opdracht van een derde een gewasbeschermingsmiddel toepast, of

c. uitsluitend minder dan 2 hectare maïs of gras teelt.

7

Bij ministeriële regeling van Onze Minister kan worden bepaald dat het eerste lid niet van toepassing is op een categorie van gebruikers, indien een systeem van kwaliteitszorg of andere regelgeving reeds op vergelijkbare wijze in de toepassing van geïntegreerde gewasbescherming voorziet.

8 Bij regeling van Onze Minister kunnen regels of nadere regels worden gesteld over geïntegreerde gewasbescherming door professionele gebruikers.

Hoofdstuk 5 — Handel en gebruik › § 4 — Goede praktijken, geïntegreerde gewasbescherming en juist gebruik

Artikel 27

1 De gewasbeschermingsmonitor is op een toegankelijke wijze opgesteld, op eenvoudige wijze beschikbaar en aanwezig op het bedrijf van de gebruiker.

2 Onze Minister kan voor een gewasbeschermingsmonitor als bedoeld in het eerste lid, een standaardformulier vaststellen.

3 Onze Minister kan regels stellen voor het gebruik van het standaardformulier, bedoeld in het tweede lid.

4 Onze Minister maakt het standaardformulier, bedoeld in het tweede lid, bekend in de Staatscourant.

Hoofdstuk 5 — Handel en gebruik › § 4 — Goede praktijken, geïntegreerde gewasbescherming en juist gebruik

Artikel 27a

Een gewasbeschermingsmiddel dat een prioritaire gevaarlijke stof bevat als bedoeld in artikel 16, derde lid, van richtlijn 2000/60/EG wordt niet gebruikt in de nabijheid van een oppervlaktewaterlichaam of in gebieden waarvoor in de omgevingsverordening regels zijn gesteld om de kwaliteit van het grondwater in grondwaterbeschermingsgebieden te beschermen in verband met de winning daarvan voor de bereiding van voor menselijke consumptie bestemd water, bedoeld in artikel 2.18, aanhef en onder c, van de Omgevingswet.

Hoofdstuk 5 — Handel en gebruik › § 4 — Goede praktijken, geïntegreerde gewasbescherming en juist gebruik

Artikel 27b

1 Het is een professionele gebruiker niet toegestaan om gewasbeschermingsmiddelen toe te passen.

2 Het eerste lid is niet van toepassing in bij ministeriële regeling aan te wijzen gebieden of omstandigheden voor zover het een toepassing van een gewasbeschermingsmiddel betreft:

a. die noodzakelijk is voor een veilige exploitatie van bedrijfsmatige activiteiten of inrichtingen;

b. die noodzakelijk is voor de bescherming van de gezondheid van mens of dier of van het milieu; of

c. op specifieke terreinen voor recreatieve doeleinden of voor het beoefenen van sport die vanwege hun aard of omvang redelijkerwijze niet op een andere wijze kunnen worden onderhouden.

3 Bij ministeriële regeling kunnen voorwaarden worden gesteld aan de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen in de gebieden en omstandigheden, bedoeld in het tweede lid.

4 Het eerste lid geldt niet voor land- en tuinbouwbedrijven die gewassen telen of kweken.

Hoofdstuk 5 — Handel en gebruik › § 4 — Goede praktijken, geïntegreerde gewasbescherming en juist gebruik

Artikel 27c

Vervallen

Hoofdstuk 5 — Handel en gebruik › § 4 — Goede praktijken, geïntegreerde gewasbescherming en juist gebruik

Artikel 27d

Indien een gewasbeschermingsmiddel wordt gebruikt, waarvoor in het gebruiksvoorschrift bij de toelating een wachttermijn voor herbetreding is bepaald, zorgt een professionele gebruiker er voor dat andere personen op het bedrijf weten van die wachtttermijn en voor welke arealen van het bedrijf die wachttermijn geldt.

Hoofdstuk 5 — Handel en gebruik › § 4 — Goede praktijken, geïntegreerde gewasbescherming en juist gebruik

Artikel 28

Onze Minister kan bij ministeriële regeling regels stellen voor een juist gebruik van biociden.

Hoofdstuk 5 — Handel en gebruik › § 5 — Toepassingsmethoden, -technieken en -materialen

Artikel 29

1 Het is verboden een gewasbeschermingsmiddel met behulp van een luchtvaartuig toe te passen, met dien verstande dat Onze Minister van dit verbod vrijstelling kan verlenen in verband met een bedreiging van de plantaardige productie als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de wet. Artikel 38, tweede tot en met vijfde lid, van de wet, is van overeenkomstige toepassing.

2 Het is verboden een biocide met behulp van een luchtvaartuig toe te passen, met dien verstande dat Onze Minister van dit verbod vrijstelling kan verlenen in verband met een niet op andere wijze te bestrijden gevaar als bedoeld in artikel 46, eerste lid, van de wet.

3 Onze Minister kan bij ministeriële regeling regels stellen voor de wijze waarop en de voorwaarden waaronder een gewasbeschermingsmiddel of een biocide met behulp van een luchtvaartuig wordt toegepast.

Hoofdstuk 5 — Handel en gebruik › § 5 — Toepassingsmethoden, -technieken en -materialen

Artikel 30

1 Degene die een gewasbeschermingsmiddel of biocide in een gasvormige of gasvormende toestand in een besloten ruimte toepast, draagt er zorg voor dat:

a. inwerking en verspreiding van het gewasbeschermingsmiddel of de biocide buiten de ruimte of grond, waarin deze behandeling plaatsvindt zoveel mogelijk wordt voorkomen;

b. alle toegangen zijn voorzien van een door Onze Minister vastgesteld waarschuwingssignaal alsmede naar een door Onze Minister opgesteld model vastgesteld opschrift inzake de aard en het gevaar van het gewasbeschermingsmiddel of de biocide;

c. de ruimte ontoegankelijk is voor onbevoegden;

d. na de in het gebruiksvoorschrift van het toegepaste gewasbeschermingsmiddel of biocide opgenomen veiligheidstermijn de aanwezigheid of de concentratie van het toegepaste gewasbeschermingsmiddel of de toegepaste biocide wordt gemeten met een daartoe geschikt instrument;

e. het waarschuwingssignaal en het opschrift, bedoeld in onderdeel b, worden na de meting, bedoeld in onderdeel d, zo mogelijk, afhankelijk van het resultaat van de meting, verwijderd.

2 Onze Minister kan bij ministeriële regeling voor daarbij aan te wijzen gasvormige en gasvormende gewasbeschermingsmiddelen of biociden nadere regels stellen en vrijstelling verlenen van verplichtingen als bedoeld in het eerste lid, onder de bij die vrijstelling gegeven voorwaarden en beperkingen.

Hoofdstuk 5 — Handel en gebruik › § 5 — Toepassingsmethoden, -technieken en -materialen

Artikel 31

1 Degene die een gewasbeschermingsmiddel of biocide in een gasvormige of gasvormende toestand anders dan voor het bestrijden van mollen of woelratten buiten een besloten ruimte toepast, meldt het voornemen tot toepassing bij Onze Minister van Infrastructuur en Milieu.

2 Het eerste lid is niet van toepassing, indien gebruik wordt gemaakt van een speciale installatie waarvoor ingevolge de Wet milieubeheer een vergunning is afgegeven voor uitsluitend het gebruik van gasvormige en gasvormende gewasbeschermingsmiddelen of biociden.

3 Degene die een gewasbeschermingsmiddel of biocide in een gasvormige of gasvormende toestand anders dan voor het bestrijden van mollen of woelratten buiten een besloten ruimte toepast stelt na de behandeling een gasvrijverklaring op voor de opdrachtgever.

4 Onze Minister stelt bij ministeriële regeling regels inzake:

a. de wijze waarop een melding als bedoeld in het eerste lid wordt gedaan alsmede binnen welke termijn een melding wordt gedaan of ingetrokken en

b. de geldigheidsduur van de melding.

5 Onze Minister kan bij ministeriële regeling voor daarbij aan te wijzen gasvormige en gasvormende gewasbeschermingsmiddelen of biociden nadere regels stellen en vrijstelling geven van verplichtingen als bedoeld in het eerste tot en met derde lid, onder de bij die vrijstelling gegeven voorwaarden en beperkingen.

Hoofdstuk 5 — Handel en gebruik › § 5 — Toepassingsmethoden, -technieken en -materialen

Artikel 32

1 Degene die een gewasbeschermingsmiddel, onderscheidenlijk biocide toepast, meldt het voornemen tot toepassing bij Onze Minister van Economische Zaken, onderscheidenlijk Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, indien bij de toelating is bepaald dat voornoemd gewasbeschermingsmiddel, onderscheidenlijk biocide niet in twee opeenvolgende jaren mag worden toegepast.

2 Onze Minister van Economische Zaken, onderscheidenlijk Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, verstrekt een ontvangstbewijs van de melding aan de melder.

3 Het voornemen tot toepassing van een gewasbeschermingsmiddel, onderscheidenlijk biocide wordt eveneens bij Onze Minister van Economische Zaken, onderscheidenlijk Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, gemeld, voor zover voor de toepassing van een gewasbeschermingsmiddel of biocide in afwijking van de toelating, bedoeld in het eerste lid:

a. een vrijstelling is verleend voor een proef of experiment als bedoeld in artikel 37, eerste lid, of artikel 64, eerste lid, van de wet,

b. een vrijstelling is verleend op grond van artikel 38 of artikel 46, eerste lid, van de wet.

4 Onze Minister stelt bij ministeriële regeling regels inzake:

a. de wijze waarop een melding wordt gedaan of ingetrokken;

b. de termijn voorafgaand aan de toepassing van het gewasbeschermingsmiddel of de biocide waar binnen een melding wordt gedaan,

c. de geldigheidsduur van de melding, en

d. de gegevens die bij de melding worden verstrekt.

5 De aanvrager verstrekt het ontvangstbewijs, bedoeld in het tweede lid, aan de leverancier van het gewasbeschermingsmiddel bij de ontvangst van het gewasbeschermingsmiddel. De distributeur geeft een getekend afschrift van het ontvangstbewijs aan de melder.

6 De melder, onderscheidenlijk de distributeur, bewaart het getekende afschrift van het ontvangstbewijs, onderscheidenlijk het ontvangstbewijs in zijn administratie.

Hoofdstuk 5 — Handel en gebruik › § 6 — Verpakkingen

Artikel 32a

Onze Minister kan bij ministeriële regeling regels stellen omtrent de terugwinning of verwijdering van restanten van gewasbeschermingsmiddelen uit de verpakkingen ervan.

Hoofdstuk 5 — Handel en gebruik › § 6 — Verpakkingen

Artikel 32aa

Het formaat van de verpakking van een gewasbeschermingsmiddel bedoeld voor niet-professioneel gebruik is beperkt voor toepassing op een oppervlakte van ten hoogste 500m2.

Hoofdstuk 5 — Handel en gebruik › § 7 — Keuring van apparatuur voor de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen

Artikel 32b

1 Apparatuur voor de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen wordt uitsluitend gebruikt indien zij voldoet aan de eisen van bijlage II bij richtlijn 2009/128/EG en daarvan blijkt door middel van een officieel goedkeuringsbewijs.

2 Onze Minister kan bij ministeriële regeling regels stellen omtrent de keuring van in gebruik zijnde apparatuur voor de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen, waaronder regels omtrent de keuringsfrequentie, de keuringseisen, de keuringsinstanties, het in rekening te brengen tarief voor de keuring en voor de afgifte van het officiële keuringsbewijs, alsmede de aanwijzing van apparatuur waarop het eerste lid niet van toepassing is, dan wel een afwijkende keuringsfrequentie van toepassing is.

Hoofdstuk 6 — Handhaving

Artikel 33

De kosten, bedoeld in artikel 4:120 van de Algemene wet bestuursrecht die Onze Minister in rekening kan brengen voor het uitvaardigen van een dwangbevel bedragen ten hoogste een bedrag dat is berekend met toepassing van artikel 3, eerste lid, van de Kostenwet invordering rijksbelastingen.

Hoofdstuk 6 — Handhaving

Artikel 33a

1 Bij ministeriële regeling stelt Onze Minister regels omtrent de indeling van boetes in de volgende categorieën:

a. € 50 tot € 250;

b. € 250 tot € 500;

c. € 500 tot € 1.000;

d. € 1.000 tot € 10.000.

2 Bij het onderbrengen van overtredingen binnen de in het eerste lid genoemde categorieën wordt ten minste onderscheid gemaakt naar de functie van de overtreder.

3 In afwijking van het eerste lid kan Onze Minister een hogere boete vaststellen, indien de omstandigheden van het geval of de ernst van de overtreding daartoe aanleiding geven.

Hoofdstuk 6 — Handhaving

Artikel 34

Vervallen

Hoofdstuk 6 — Handhaving

Artikel 35

Vervallen

Hoofdstuk 6 — Handhaving

Artikel 36

Vervallen

Hoofdstuk 6 — Handhaving

Artikel 37

Vervallen

Hoofdstuk 7 — Overgangsbepalingen en wijzigingsbepalingen

Artikel 38

Wijzigt het Arbeidsomstandighedenbesluit.

Hoofdstuk 7 — Overgangsbepalingen en wijzigingsbepalingen

Artikel 39

Wijzigt het Lozingenbesluit open teelt en veehouderij.

Hoofdstuk 7 — Overgangsbepalingen en wijzigingsbepalingen

Artikel 40

Wijzigt het Besluit glastuinbouw.

Hoofdstuk 7 — Overgangsbepalingen en wijzigingsbepalingen

Artikel 41

Wijzigt het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer.

Hoofdstuk 7 — Overgangsbepalingen en wijzigingsbepalingen

Artikel 42

Wijzigt het Besluit beheer en schadebestrijding dieren.

Hoofdstuk 7 — Overgangsbepalingen en wijzigingsbepalingen

Artikel 43

Wijzigt het Besluit bouw- en houtbedrijven milieubeheer.

Hoofdstuk 7 — Overgangsbepalingen en wijzigingsbepalingen

Artikel 44

Wijzigt het Besluit detailhandel en ambachtsbedrijven milieubeheer.

Hoofdstuk 7 — Overgangsbepalingen en wijzigingsbepalingen

Artikel 45

Wijzigt het Besluit EOS: demo en transitie-experimenten.

Hoofdstuk 7 — Overgangsbepalingen en wijzigingsbepalingen

Artikel 46

Wijzigt het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer.

Hoofdstuk 7 — Overgangsbepalingen en wijzigingsbepalingen

Artikel 47

Wijzigt het Besluit implementatie EG-verbodsrichtlijn Wms 1998.

Hoofdstuk 7 — Overgangsbepalingen en wijzigingsbepalingen

Artikel 48

Wijzigt het Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer.

Hoofdstuk 7 — Overgangsbepalingen en wijzigingsbepalingen

Artikel 49

Wijzigt het Besluit jachthavens.

Hoofdstuk 7 — Overgangsbepalingen en wijzigingsbepalingen

Artikel 50

Wijzigt het Registratiebesluit externe veiligheid.

Hoofdstuk 7 — Overgangsbepalingen en wijzigingsbepalingen

Artikel 51

Wijzigt het Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer.

Hoofdstuk 7 — Overgangsbepalingen en wijzigingsbepalingen

Artikel 52

Wijzigt het Besluit ozonlaagafbrekende stoffen Wms 2003.

Hoofdstuk 7 — Overgangsbepalingen en wijzigingsbepalingen

Artikel 53

Wijzigt het Besluit politieregisters.

Hoofdstuk 7 — Overgangsbepalingen en wijzigingsbepalingen

Artikel 54

Wijzigt het Besluit woon- en verblijfsgebouwen milieubeheer.

Hoofdstuk 7 — Overgangsbepalingen en wijzigingsbepalingen

Artikel 55

Wijzigt het Kennisgevingsbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen.

Hoofdstuk 7 — Overgangsbepalingen en wijzigingsbepalingen

Artikel 56

Wijzigt het Registratiebesluit Wet milieugevaarlijke stoffen.

Hoofdstuk 7 — Overgangsbepalingen en wijzigingsbepalingen

Artikel 57

Wijzigt het Spaanplaatbesluit (Warenwet).

Hoofdstuk 7 — Overgangsbepalingen en wijzigingsbepalingen

Artikel 58

Wijzigt het Uitvoeringsbesluit artikel 1, derde lid, Wet verontreiniging oppervlaktewateren.

Hoofdstuk 7 — Overgangsbepalingen en wijzigingsbepalingen

Artikel 59

Wijzigt het Warenwetbesluit deponering informatie preparaten.

Hoofdstuk 7 — Overgangsbepalingen en wijzigingsbepalingen

Artikel 60

Wijzigt het Warenwetbesluit Levensmiddelenadditieven.

Hoofdstuk 7 — Overgangsbepalingen en wijzigingsbepalingen

Artikel 61

Wijzigt het Besluit inbeslaggenomen voorwerpen.

Hoofdstuk 7 — Overgangsbepalingen en wijzigingsbepalingen

Artikel 62

Wijzigt het Besluit kwaliteitseisen en monitoring water.

Hoofdstuk 7 — Overgangsbepalingen en wijzigingsbepalingen

Artikel 63

Wijzigt het Besluit milieu-effectrapportage 1994.

Hoofdstuk 7 — Overgangsbepalingen en wijzigingsbepalingen

Artikel 64

Wijzigt het Besluit externe veiligheid inrichtingen.

Hoofdstuk 7 — Overgangsbepalingen en wijzigingsbepalingen

Artikel 65

Wijzigt het Besluit landbouw milieubeheer.

Hoofdstuk 7 — Overgangsbepalingen en wijzigingsbepalingen

Artikel 66

Wijzigt het Aanwijzingsbesluit rechtspersonen met een beperkte kasbeheerfunctie.

Hoofdstuk 7 — Overgangsbepalingen en wijzigingsbepalingen

Artikel 67

Wijzigt het Besluit BIBOB.

Hoofdstuk 7 — Overgangsbepalingen en wijzigingsbepalingen

Artikel 68

Wijzigt het Besluit milieuverslaglegging.

Hoofdstuk 7 — Overgangsbepalingen en wijzigingsbepalingen

Artikel 69

Wijzigt het Besluit voorzieningen en installaties milieubeheer.

Hoofdstuk 7 — Overgangsbepalingen en wijzigingsbepalingen

Artikel 70

Wijzigt het Besluit financiële zekerheid milieubeheer.

Hoofdstuk 7 — Overgangsbepalingen en wijzigingsbepalingen

Artikel 71

Wijzigt het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen.

Hoofdstuk 7 — Overgangsbepalingen en wijzigingsbepalingen

Artikel 72

Wijzigt het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen.

Hoofdstuk 7 — Overgangsbepalingen en wijzigingsbepalingen

Artikel 73

Wijzigt het Lozingenbesluit bodembescherming.

Hoofdstuk 7 — Overgangsbepalingen en wijzigingsbepalingen

Artikel 74

Het koninklijk besluit van 14 december 2004, houdende de overdracht van de zorg voor het beleid inzake biociden (Stb. 2004, 696) wordt ingetrokken.

Hoofdstuk 7 — Overgangsbepalingen en wijzigingsbepalingen

Artikel 75

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld voor de gelijkstelling van vergunningen verstrekt ingevolge het Besluit vakkennis- en vakbekwaamheidseisen bestrijdingsmiddelen zoals dit besluit bij inwerkingtreding van de wet bestond aan bewijzen van vakbekwaamheid verstrekt op grond van de artikelen 71, derde lid, en 76, derde lid, van de wet.

Hoofdstuk 7 — Overgangsbepalingen en wijzigingsbepalingen

Artikel 76

Wijzigt dit besluit.

Hoofdstuk 7 — Overgangsbepalingen en wijzigingsbepalingen

Artikel 77

1 Indien het bij koninklijke boodschap van 1 maart 2006 ingediende voorstel van wet regeling voor de toelating, het op de markt brengen en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden) (Kamerstukken II 2005/06, 30474, nr. 2), nadat het tot wet is verheven, in werking treedt, treedt dit besluit op hetzelfde tijdstip in werking met uitzondering van:

a. artikel 29, eerste en tweede lid, dat vijf jaar na dat tijdstip in werking treedt en

b. artikel 20, derde lid, dat in werking treedt op 1 september 2009.

2 In afwijking van het eerste lid kan artikel 29, eerste en tweede lid, op een eerder bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip in werking treden indien een communautaire maatregel dit vereist.

Hoofdstuk 7 — Overgangsbepalingen en wijzigingsbepalingen

Artikel 78

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden.

Bijlage 1 — behorende bij artikel 8a, eerste lid

Bijlage 1 — behorende bij artikel 8a, eerste lid

Methoden voor de beoordeling van gewasbeschermingsmiddelen

1. | Vervallen.

2. | Vervallen.

3. | Vervallen.

4. | Vervallen.

5. | Vervallen.

6. | Vervallen.

7. | Vervallen.

8. | Vervallen.

9. | Vervallen.

10. | Vervallen.

11. | Vervallen.

Residuen

–

Milieu

12. | Van der Linden, A.M.A et al (2004). The new decision tree for the evaluation of pesticide leaching from soils., RIVM report 601450019/2004.

13. | Adriaanse, P.I. et al, (1996). Fate of pesticides in field ditches: the TOXSWA simulation model. Alterra-rapport nr. 023.

14. | Adriaanse, P.I. et al (2008). Development of an assessment methodology to evaluate agricultural use of plant protection products for drinking water production from surface waters – a proposal for the registration procedure in the Netherlands. Alterra-rapport nr. 1635, ISSN 1566-7197.

15. | Ctb (2005) Tijdelijke beoordelingsmethodiek drinkwatercriterium

16. | Linders, J.B.H.J.; Van der Linden, A.M.A. and Stienstra, Y.J. [2010]. Surface water intended for the abstraction of drinking water after use of plant protection products on hard surfaces. Evaluation of plant production products. RIVM report 601450021/2010 en corrigendum Van der Linden [RIVM].

Bijlage 2 — , behorend bij artikel 8b, tweede lid

Bijlage 2 — , behorend bij artikel 8b, tweede lid

Vervallen

Bijlage 3 — behorend bij artikel 26, eerste lid

Bijlage 3 — behorend bij artikel 26, eerste lid

Aspecten gewasbeschermingsmonitor

– teeltfrequentie en voorvrucht, door middel van een vruchtwisselingsplan

– rassenkeuze en uitgangsmateriaal, aandacht voor: resistente/tolerante cultivars en standaard- of gecertificeerd zaai- en plantgoed

– monitoring van schadelijke organismen in het gewas

– gebruik van waarschuwings-, advies- en beslissingsondersteunende systemen gericht op tijdig signaleren van toenemende ziektedruk

– toegepaste biologische, fysische en mechanische gewasbeschermingsmaatregelen, waaronder de inzet van biologische bestrijders en mechanische onkruidbestrijding

– keuze van gebruikte gewasbeschermingsmiddelen op basis van risico’s voor mens en milieu (gebruikte gewasbeschermingsmiddelen moeten bijgehouden worden conform artikel 67 van verordening (EG) nr. 1107/2009

– emissiebeperkende maatregelen, inclusief toedieningstechnieken

– resistentiemanagement bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen

– overige maatregelen die hebben bijgedragen aan het verminderen van het gebruik van chemische middelen

– oordeel over het succes van de toegepaste beheersmaatregelen.