wetzoeker

1.3 — Doelstellingen op het beleidsterrein Consumentenbeleid Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Consumentenbeleid vanaf 1945 (Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport)

Doelstellingen op het beleidsterrein Consumentenbeleid

In 1962 richtte president Kennedy een Special message aan het congres van de Verenigde Staten, waarin hij opriep tot de handhaving van een aantal ‘fundamentele rechten’ van de consument. Deze opvattingen vonden ook weerklank in Europa. In oktober 1972 hadden de staatshoofden en regeringsleiders op de EEG-topconferentie in Parijs verklaard dat acties tot bescherming van de consument versterkt en gecoördineerd zouden moeten worden. Dit leidde tot een programma dat op 14 april 1975 door de Europese Raad van Ministers werd aanvaard en waarin vijf ‘grondrechten’ van de consument werden geformuleerd:

* het recht op bescherming van zijn gezondheid en zijn veiligheid;

* het recht op bescherming van zijn economische belangen

* het recht op schadevergoeding

* het recht op voorlichting en vorming

* het recht op vertegenwoordiging (recht om te worden gehoord).

De Minister van Economische Zaken werd op 1 februari 1974 aangewezen als coördinerend bewindsman voor consumentenzaken.

1 Nederlandsche Staatscourant, 1974, nr. 45 (19 februari), p. 1.

De EG-resolutie van 1975 kreeg een vervolg in Nederland, toen bij de behandeling van de begroting van het Ministerie van Economische Zaken voor het dienstjaar 1976 de motie-Kolthoff werd aangenomen. Daarin verzocht de Tweede Kamer de Minister om een beleidsnota op te stellen ten aanzien van de consumentenbescherming. Dit leidde tot de Nota Consument en consumptie, die in 1979 door de Minister aan de Staten-Generaal werd aangeboden. Deze nota gaf een nieuwe taak aan de Interdepartementale Commissie Consumentenaangelegenheden, ICC, die al vanaf 1974 werkzaam was. Zij moest nu meerjarenplannen opstellen en daarover verslag uitbrengen. Dit is driemaal gebeurd. De stukken die door de commissie werden gepubliceerd, vatten het kader samen van het gehele beleidsterrein en geeft een indruk van de keuzes die de rijksoverheid maakte van de instrumenten die ter beschikking stonden. Hieruit bleek dat er ook in de Nederlandse samenleving een behoefte bestond aan consumentenbescherming.

2 Voor een gedetailleerde beschrijving van problemen die indertijd nog geregeld moesten worden, zie, Th.A. Broek, Kernpunten van het consumentenrecht. Groningen, 1975.

Naast de rijksoverheid waren er namelijk tal van andere – particuliere – instanties actief, die door belangenbehartiging en regulering op dit terrein een vooraanstaande rol hadden gespeeld en zelfs op een of andere manier bindende voorschriften voor het handelsverkeer hadden opgesteld. Als belangenbehartigers van de consumenten mogen worden genoemd de Nederlandse Consumentenbond (opgericht in 1953), de Stichting Konsumenten Kontact (1962–1981), het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting NIBUD en zijn voorgangers.

Een belangrijk adviesorgaan van de ICC was een publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie: de Sociaal-economische Raad SER, die reeds in 1965 een aparte Commissie Consumenten Aangelegenheden had gevormd. Deze bestond uit vertegenwoordigingen van de brancheorganisaties en enkele consumentenvertegenwoordigers. Deze commissie kreeg afzonderlijke adviserende bevoegdheid in 1975. Op elke maatregel van de overheid bracht zij – onder meer op aanvraag van de ICC, maar ook zelfstandig – advies uit, maar zij speelde ook een rol bij de onderhandelingen tussen consumenten- en producentenorganisaties over gemeenschappelijke regelingen in het belang van de consument (bijv. standaardcontracten van brancheorganisaties).

Het beleid van het Ministerie van Economische Zaken is vooral gericht (geweest) op het tegengaan van praktijken waardoor vroeger vooral aan de onderkant van de samenleving consumenten werden gedupeerd.

– de regulering van het consumentenkrediet

– de regelgeving met betrekking tot productvoorlichting en prijsaanduiding door handelaren, in het bijzonder in de vorm van reclame, uitstalling, etikettering (bijdragen aan de Warenwet en regels, voortkomend uit de Prijzenwet).

– de bescherming van de consument tegen agressieve vormen van verkoop (colportage, cadeaustelsel)

– de bevordering van kennis van de consument door onderwijs en voorlichting

– incidentele voorlichtingscampagnes

Regeling
Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Consumentenbeleid vanaf 1945 (Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport)
Soort
Archiefselectielijst
Geldend vanaf
04-08-2007
BWB-id
BWBR0022343
Versie
2007-08-04_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl