wetzoeker

Actorenoverzicht (deel 1) Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Advisering in de gezondheidszorg vanaf 1945 (Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport)

De Minister onder wie Volksgezondheid ressorteert

het Ministerie van Sociale Zaken (1933 – 1951);

het Ministerie van Sociale Zaken en Volksgezondheid (1951 – 1971);

het Ministerie van Volksgezondheid en Milieuhygiëne (1971 – 1982);

het Ministerie van Welzijn Volksgezondheid en Cultuur (1982 – 1994).

Onderstaande actoren vallen op grond van de Archiefwet 1995 allemaal onder het zorgdragerschap van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

De Centrale Commissie voor de Volksgezondheid voor bevrijd gebied (1945)

Ingesteld bij beschikking door de Minister onder wie Volksgezondheid ressorteert (Beschikking van 22 januari 1945, no. 34/7054). Haar taak was het coördineren van alle aangelegenheden betreffende de volksgezondheid en het adviseren van de Minister hieromtrent.

De Centrale Commissie voor de Volksgezondheid (1945 – 1956)

Ingesteld bij besluit door de Minister onder wie Volksgezondheid ressorteert (Stcrt.1945, 81), opgeheven bij de inwerkingtreding van de Gezondheidswet in 1956 en de instelling van de Centrale Raad voor de Volksgezondheid.

Deze commissie vormde de voortzetting van de Centrale Commissie voor de Volksgezondheid in Bevrijd gebied. De commissie had twee taken:

1. het bevorderen van de coördinatie van alle aangelegenheden betreffende de volksgezondheid;

2. het adviseren van de Minister onder wie volksgezondheid ressorteert omtrent alle aangelegenheden betreffende de gezondheidszorg.

De Commissie zou gaan adviseren over de dagelijkse beleidsvragen en over de toekomstige organisatie van de gezondheidszorg. Hoofddoel was het opstellen van een ontwerp voor een nieuwe Gezondheidswet, ter vervanging van de Gezondheidswet van 1919.

De leden, aanvankelijk 21 in getal, waren afkomstig uit de ambtelijke wereld (hoge ambtenaren op het gebied van de volksgezondheid) en uit maatschappelijke en professionele organisaties. De niet-ambtshalve leden werden benoemd door de Minister.

De werkzaamheden van de commissie werden voorbereid in een uit zes leden bestaande werkcommissie.

In de eerste jaren van haar bestaan bracht de commissie een groot aantal adviezen uit, voornamelijk betreffende urgente onderwerpen als tbc-bestrijding, bestrijding van andere infectieziekten, geestelijke gezondheidszorg en prenatale zorg.

De Centrale Raad voor de Volksgezondheid (1956 – 1982)

Ingesteld bij de Gezondheidswet (Stb. 1956, 81).

Het was de taak van de Centrale Raad om door overleg de samenwerking te bevorderen tussen de Minister onder wie Volksgezondheid ressorteert en de openbare lichamen en diensten en de particuliere rechtspersonen en instellingen die actief waren op het gebied van de volksgezondheid.

In dat kader bracht de Raad advies uit aan de Minister onder wie Volksgezondheid ressorteert omtrent zaken die van belang waren voor de volksgezondheid.

De Minister moest de Raad in kennis stellen van alle ontwerpen van wetgevende aard die van belang waren voor de volksgezondheid.

In de Gezondheidswet waren geen bepalingen opgenomen inzake verplichte raadpleging. In een aantal andere wetten werd die verplichting wel vastgelegd:

– in artikel 4 van de Wet op het Menselijk Bloed (Stb. 1961, 182) werd bepaald dat de Minister pas eisen kan stellen voor de erkenning van rechtspersonen die gerechtigd zijn tot het groepsgewijs afnemen van menselijk bloed na de Centrale/Nationale Raad gehoord te hebben; ook bij het stellen van voorwaarden aan een erkenning en bij het intrekken van een erkenning moet de Raad door de Minister worden gehoord.

– artikel 18 lid 7 van de Wet Ziekenhuisvoorzieningen (Stb. 1971, 286) bepaalt dat de Minister de Centrale Raad voor de Volksgezondheid moet horen wanneer de regering ‘topklinische voorzieningen en functies’ (de uitvoering van zeer specialistische medisch verrichtingen en de aanschaf van zeer kostbare medische apparatuur) wil brengen onder werking van de in artikel 18 genoemde vergunningenplicht.

De Raad was samengesteld uit vertegenwoordigers van de overheid en van door de overheid erkende particuliere organisaties. Met de vertegenwoordigers van lagere overheden vormden de vertegenwoordigers van het particulier initiatief de meerderheid in de Raad. Dit om de rol van de centrale overheid beperkt houden.

Een aantal leden werd benoemd op basis van hun functie: de Hoofdinspecteurs van de volksgezondheid, de Hoofdinspecteur belast met het toezicht op krankzinnigen en krankzinnigengestichten, de Algemene Directeur van het Rijksinstituut voor de Volksgezondheid (nu RIVM), en de voorzitter van de Gezondheidsraad. De overige leden werden benoemd op advies van de Centrale Raad door de, door de Minister aangewezen, openbare lichamen en diensten en de particuliere rechtspersonen en instellingen. Als openbare lichamen en diensten werden aangewezen de Ziekenfondsraad, de Voedingsraad, de Centrale Dienst der Arbeidsinspectie en de Sociale Verzekeringsbank.

De Centrale Raad/Nationale Raad kende permanente organen zogeheten vaste commissies van advies en bijstand en vanaf 1982 kamer die zich met specifieke onderdelen en problematiek op het terrein van de volksgezondheid bezighielden. Daarnaast fungeerde er tijdelijke commissies en werkgroepen die zich met de voorbereiding van een advies bezighielden.

Aan de taak om de samenwerking tussen de verschillende spelers in het feld van de gezondheidszorg te bevorderen werd indirect uitvoering gegeven door de wijze waarop de Raad en zijn taakvoorgangers werkten en de adviezen tostand kwamen. De Raad en zijn voorgangers bestonden immers uit (belangen)vertegenwoordigers van uiteenlopende organisaties en ook bij de samenstelling van commissies en kamers werd gelet op een evenwichtige vertegenwoordiging van betrokken instellingen en organen.

De Gezondheidsraad (1956 –)

Deze raad is gelijktijdig met de Centrale Raad voor de Volksgezondheid ingesteld bij de Gezondheidswet (Stb.1956, 81).

Voor deze raad is een aparte selectielijst vastgesteld (Stb.1998, 61).

De Nationale Raad voor de Volksgezondheid (1982 – 1997)

Ingesteld bij de Wet Voorzieningen Gezondheidszorg, art. 86 (Stb. 1982, 563).

De Raad was een maatschappelijk adviesorgaan, actief in de beleidsvoorbereidende fase. Soms hield de Raad zich bezig met beleidsevaluatie.

De taken van de Nationale Raad verschilden nauwelijks van die van de Centrale Raad: beide hadden zowel een overleg- als een adviesfunctie. Beide functies weren in 1982 in één artikel samengebracht, waardoor de advisering meer nadruk kreeg.

De Raad had geen uitvoerende taken.

In de Raad hadden zitting als stemgerechtigden:

• leden afkomstig uit de verschillende groeperingen of organisaties van instellingen en personen, die zelf of wier leden werkzaam zijn op het terrein van de gezondheidszorg;

• leden afkomstig uit de kringen van personen of organisaties, die de belangen van de gebruikers van voorzieningen voor de gezondheidszorg in algemene zin behartigen;

• leden afkomstig uit de centrale organisaties van werkgevers;

• leden afkomstig uit de centrale organisaties van werknemers;

• leden afkomstig uit de kringen van de verzekeringsinstellingen op het gebied van de gezondheidszorg;

• leden afkomstig uit de kringen van de provinciale besturen en gemeentebesturen.

Naast deze stemhebbende leden werd vanuit ambtelijke kring een aantal leden met een adviserende stem aangewezen, onder wie de Directeur-Generaal van de Volksgezondheid, de Hoofdinspecteurs van het Staatstoezicht, de Directeur-Generaal van het Rijksinstituut voor de Volksgezondheid, de voorzitter van de Gezondheidsraad en de voorzitter van de Ziekenfondsraad.

De status van de vertegenwoordigers van de rijksoverheid in de Nationale Raad was dus een andere dan die in de Centrale Raad: in plaats van een stemhebbend lidmaatschap kregen de ambtelijk vertegenwoordigers slechts een adviserend lidmaatschap.

De stemgerechtigde leden werden benoemd door via de Minister aangewezen representatieve organisaties, openbare lichamen en diensten.

Regeling
Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Advisering in de gezondheidszorg vanaf 1945 (Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport)
Soort
Archiefselectielijst
Geldend vanaf
02-08-2007
BWB-id
BWBR0022341
Versie
2007-08-02_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl