Doelstellingen en taken van de overheid met betrekking tot advisering in de gezondheidszorg Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Advisering in de gezondheidszorg vanaf 1945 (Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport)
Kort na de Tweede Wereldoorlog spraken verschillende maatschappelijke en politieke groeperingen zich uit voor een vernieuwing van de gezondheidszorg. Velen waren ontevreden over de dominante rol die particuliere instellingen op dat terrein speelden. Met elkaar vormden die instellingen een ondoorzichtig stelsel, dat dreigde te bezwijken onder de in aantal en complexiteit toenemende medische ontwikkelingen en voorzieningen. De particuliere instellingen zagen in het algemeen de noodzaak van vernieuwing in: zij waren echter niet bereid hun belangrijke rol binnen de gezondheidszorg op te geven ten behoeve van de staat. De noodzaak tot vernieuwing werd nog versterkt door het feit dat de gezondheidssituatie van de burgers en de infrastructuur van de gezondheidszorg tijdens de oorlog ernstig waren aangetast.
Ook de Rijksoverheid was voorstander van vernieuwing. Om daaraan vorm te geven werd maatschappelijke advisering en inschakeling van maatschappelijke en professionele organisaties noodzakelijk geacht. Een doelmatige opzet van de gezondheidszorg kon in de ogen van de overheid slechts tot stand worden gebracht in samenwerking met het veld. Het particulier initiatief moest in de visie van de overheid een belangrijke rol blijven spelen in met name de uitvoering van de zorg.
Met de komst van de Gezondheidswet 1956 werden er twee nieuwe adviesorganen opgericht, te weten de Centrale Raad voor de Volksgezondheid, in 1982 omgedoopt tot Nationale Raad voor de Volksgezondheid, en de Provinciale Raden voor de Volksgezondheid.
In 1997 werd de Nationale Raad opgevolgd door Raad voor de Volksgezondheid en Zorg (RVZ).
Met het rapport ‘Raad op Maat’ uit 1993 heeft de commissie De Jong de basis gelegd voor het huidige adviesstelsel. Deze commissie heeft de Kaderwet adviescolleges ontworpen, op grond waarvan ook de RMO functioneert.
De herzieningsoperatie had vier doelen in het vizier:
1. versobering van het adviesstelsel;
2. onderscheiding van advies, overleg en belangenbehartiging;
3. versterking van de rol van de Staten-Generaal en de regering bij de beleidsvorming
4. modernisering en harmonisering van het adviesstelsel.
Ad 1 en 4. Versobering en harmonisering van het adviesstelsel waren nodig omdat het aantal adviescolleges in Nederland sinds de jaren zestig en zeventig een enorme groei had doorgemaakt. De groter complexiteit van het maatschappelijke problemen, toenemende overheidsbemoeienis en de behoefte om beleid tot stand te brengen in overleg met belangengroepen hadden hiertoe bijgedragen. In de jaren tachtig kende het gegroeide systeem van adviescolleges als gevolg hiervan nauwelijks samenhang en dreigde er een wildgroei te ontstaan.
Voorheen kon een advies veelal rekenen op steun uit het veld, omdat belanghebbende organisaties en instellingen veelal vertegenwoordigd waren in veel adviesraden en mede daardoor die organisaties en instellingen intensief bij de totstandkoming van de adviezen betrokken werden.
Bij de herziening van het adviesstelsel werden representativiteit en deskundigheid gescheiden. Het stelsel zou voortaan gericht zijn op advisering op basis van deskundigheid. Het representativiteitscriterium werd naar het tweede plan verwezen. Hierdoor hebben de adviesraden hun pacificatiefunctie voor een belangrijk deel verloren. Nu dienen de adviesraden onafhankelijk deskundig advies te verstrekken aan de regering en zich daarmee boven de verschillende (deel)belangen te stellen.
Het reduceren van de representativiteitsfunctie van de adviesraden stond mede in het teken van het streven naar herstel van het politieke primaat.
In het nieuwe stelsel wordt bij de samenstelling van de adviescolleges veel minder rekening gehouden met de organisatorische en institutionele achtergrond van de leden. Adviezen kunnen derhalve niet langer bogen op de bijna vanzelfsprekende steun van organisaties en instellingen die in het adviesdomein werkzaam zijn. Dat betekent dat de nieuwe adviesorganen op een andere wijze draagvlak voor hun adviezen moeten verwerven.
De herziening van het adviesstelsel in Nederland is niet zonder slag of stoot verlopen. Het rapport ‘Raad op Maat’ gaf de aanzet tot een omvangrijke herzieningsoperatie. De Herzieningswet adviesstelsel (Stb.1996, 377), ook wel ‘Woestijnwet’ genoemd, die naar aanleiding van het rapport is uitgevaardigd, bepaalde dat met ingang 1 januari 1997 alle adviesorganen werden opgeheven, met uitzondering van de grondwettelijk verankerde Raad van State en de Sociaal-Economische Raad (SER) en de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR).
Ingevolge de Aanpassingswet herziening adviescolleges (Stb.1997, 63) werden Colleges die ook waren belast met andere taken, zoals overleg of de sectorraden onderzoek en ontwikkeling, en die niet werden opgeheven, ontheven van hun adviestaak.
Vooruitlopend op die operatie werd de Wet afschaffing adviesverplichtingen (Stb.1995, 355) uitgevaardigd. De Wet schafte in circa 160 wetten de verplichting af tot het vragen van advies aan adviescolleges over voornemens tot beleid en wet- en regelgeving. Door deze verplichting liep de politieke besluitvorming over wetgeving en beleid voordien vaak onnodige vertraging opliep. In plaats daarvan is de Minister nu bevoegd adviezen te vragen. Op deze manier werd bevorderd dat adviezen alleen gevraagd worden als dit echt nodig is en de eigenkennis onvoldoende wordt gevonden.
Na de afschaffing van adviesverplichtingen en adviesorganen werd vanaf 1997 een beperkt aantal nieuwe adviescolleges ingesteld. Voor de nieuwe (of vernieuwde) vaste adviescolleges zijn instellingswetten voorbereid. Deze zijn in de meeste gevallen op 1 januari 1997 en in enkele gevallen in het jaar daarna in werking getreden. Op 1 januari 1997 is eveneens de Kaderwet adviescolleges (Stb.1996, 378) in werking getreden. De Kaderwet was het sluitstuk van de herzieningsoperatie. De Kaderwet heeft betrekking op advisering op rijksniveau door externe, tijdelijke, vaste en eenmalige adviescolleges die door de rijksoverheid zijn ingesteld, samengesteld en worden onderhouden.
De oprichting van de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling in 1997 moet worden gezien in het kader van de algehele herziening van het adviesstelsel.
- Regeling
- Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Advisering in de gezondheidszorg vanaf 1945 (Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport)
- Soort
- Archiefselectielijst
- Geldend vanaf
- 02-08-2007
- BWB-id
- BWBR0022341
- Versie
- 2007-08-02_0