wetzoeker

2.4. Doelstellingen en taken van de overheid op het beleidsterrein Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Monumentenzorg vanaf 1965 (Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport)

In het onderhavige BSD is het beleidsterrein monumentenzorg, als een vorm van cultuurbeheer, in handelingen beschreven waarna deze zijn gewaardeerd. Het doorgeven aan latere generaties van cultuur-historisch waardevolle objecten en stads- en dorpsgezichten is één van de voornaamste doelstellingen van de monumentenzorg. Door passieve en actieve maatregelen, i.c. bescherming en restauratie, wordt getracht dit doel te bereiken. De belangrijkste doelstelling van het rijksoverheidsbeleid op het beleidsterrein monumentenzorg is het behoud van het cultureel erfgoed, i.c. van monumentale objecten, oude dorpskernen en stadsgezichten. Daarnaast is het streven gericht op openstelling en publiekmaking en tracht de overheid het wetenschappelijk onderzoek te stimuleren. De overheidsinterventie is primair gericht op de instandhouding van gebouwde en archeologische monumenten waaraan een bijzondere culturele waarde wordt toegekend. Hieronder worden zowel openbare gebouwen, woonhuizen, kastelen, kerken en molens, als stads- en dorpsgezichten, grachten, wegen, straten, pleinen en bruggen verstaan, alsmede historische parken, tuinen en buitenplaatsen. Ook archeologische monumenten, zowel aan de oppervlakte zichtbare objecten als grafheuvels en hunebedden, als niet zichtbare terreinen met sporen van vroegere bewoning en begraving en in de (zee)bodem aanwezige scheepswrakken behoren tot de zorg van de rijksoverheid tot bescherming en instandhouding van monumenten.

De overheid beschermt deze onroerende monumenten tegen verminking en vernietiging. De interventie van de overheid behelst in beginsel een systeem van bescherming van objecten door deze via inschrijving in een register te erkennen als een object van overheidszorg. Naast bescherming verleent de rijksoverheid subsidie ten behoeve van restauratie van gebouwde monumenten. De lagere overheden dragen ook zelf bij in de kosten van de bescherming. De Minister draagt de eindverantwoordelijkheid voor de uitoefening van de bepalingen in de Monumentenwet 1961 – en diens opvolger van 1988 – die de bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten mogelijk maakt.

Lange tijd bleef de bemoeienis op het gebied van de gebouwde monumentenzorg beperkt tot het instrument van subsidieverlening. Tot de invoering van de Tijdelijke wet Monumentenzorg in 1950 beschikte men niet over voldoende bevoegdheden om aantasting, vernietiging of vernieling van monumenten te verhinderen. Formele wetgeving op het terrein van de monumentenzorg begon pas in 1961, toen het systeem van de tijdelijke regelingen definitief werd vervangen door een Monumentenwet. Met de totstandkoming van deze wet werd de bescherming van afzonderlijke monumenten, alsook van stads- en dorpsgezichten als een wettelijke taak van de rijksoverheid aanvaard. De toestemming van de Minister was vereist in alle gevallen waarin met subsidie werd gerestaureerd of waar een beschermd monument in het geding was. Het uitvoerend beleid van de Minister is in handen gelegd van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg en de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek.

De hoofdlijnen van de rijksoverheidsbemoeienis op het beleidsterrein monumentenzorg kunnen derhalve worden geformuleerd als de zorg voor het beheer en behoud van gebouwde en archeologische monumenten en beschermde stads- en dorpsgezichten. Deze zorg kan worden onderscheiden in de volgende deelprocessen:

1. het aanwijzen

2. het beschrijven

3. instandhouding en restauratie.

Regeling
Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Monumentenzorg vanaf 1965 (Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport)
Soort
Archiefselectielijst
Geldend vanaf
13-06-2007
BWB-id
BWBR0022019
Versie
2007-06-13_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl