wetzoeker

Vaarplichtbeloning 1 Deze paragraaf is gebaseerd op het hoofdstuk ‘Thuisvaart, tegemoetkoming en teleurstelling’ uit: drs. A.J. van der Peet, Helden tegen wil en dank. Koopvaardijveteranen en de nasleep van de Tweede Wereldoorlog, Rotterdam, 2002. Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Oorlogsgetroffenen vanaf 1945 (Stichting Afwikkeling Maror-gelden Overheid)

In 1942 werd door de Nederlandse regering in ballingschap een commissie ingesteld die zich moest buigen over een toekomstige wachtgeld- en pensioenregeling voor de opvarenden van de koopvaardij die gedurende de oorlog onderworpen waren aan het vaarplichtbesluit. Beide regelingen dienden een ‘bijzondere belooning’ te zijn voor de door de zeelieden gedurende de oorlog bewezen diensten. De commissie diende op 28 mei 1945 een voorlopig rapport in en adviseerde de uitwerking van deze pensioenregeling aan een nieuwe in Nederland in te stellen commissie op te dragen.

Na de bevrijding van Nederland en de opheffing van de vaarplicht, werd in 1946 een nieuwe commissie in het leven geroepen onder leiding van H.W. Groeneveld, die tot taak had een wetsvoorstel te ontwerpen voor een pensioen regeling die alle opvarenden van de Nederlandse koopvaardij moest omvatten. Deze commissie diende in 1947 een voorstel in voor een Vaarplichtbeloning.

In 1952 werd de Minister onder wie Volksgezondheid ressorteerde gemachtigd om financieel bij te dragen aan de oprichting van een bedrijfspensioenfonds voor de Koopvaardij ten behoeve van de uitvoering van een pensioenregeling voor de opvarenden van de Nederlandse koopvaardijvloot. Daarmee werd ook de Vaarplichtbeloning van kracht.

– Niet alle vaarplichtige zeelieden die gedurende de Tweede Wereldoorlog waren blijven varen, kwamen voor de Vaarplichtbeloning in aanmerking. Alleen de Nederlander op wie de volgende besluiten van toepassing zijn geweest, kon rekenen op deze toelage:

Stb. A5: vaarplichtbesluit (dienstplicht tijdens de oorlog in de vorm van vaarplicht);

Stb. C19: uitwerking van het vaarplichtbesluit;

besluit No. 1 Z van de gouverneur-generaal van Nederlands-Indië, art. 1 (Ned. Ind. Stb. 1941, 58) ter uitvoering van de burgerdienstplichtverordening (Ned. Ind. Stb. 1940, 204, zoals gewijzigd bij Ned. Ind. Stb. 1940, 551).

Bovendien moest de betrokken zeevarende de vaarplicht in de periode 1940 tot 1944 ‘voorzover dat in zijn vermogen lag naar behoren hebben vervuld’, en niet door eigen schuld van de vaarplicht zijn ontslagen.

De Vaarplichtbeloning werd vastgesteld op 150 gulden per jaar, voor de zeevarende zelf. Weduwen van de betrokken zeelieden ontvingen 90 gulden per jaar, mits zij vóór de oorlog met hen in het huwelijk waren getreden.

Regeling
Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Oorlogsgetroffenen vanaf 1945 (Stichting Afwikkeling Maror-gelden Overheid)
Soort
Archiefselectielijst
Geldend vanaf
26-05-2007
BWB-id
BWBR0021872
Versie
2007-05-26_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl