wetzoeker

Hoofdlijnen van het overheidshandelen op het beleidsterrein tot het taakgebied Defensie en het beleidsterrein militair materieel Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Militair materieel vanaf 1945 (Minister van Verkeer en Waterstaat)

De grondslag voor de overheidstaken op het gebied van de Defensie is gelegen in de Grondwet, waarin is bepaald dat er een krijgsmacht is, die onder het ‘oppergezag’ staat van de regering. Namens de regering is de minister van Defensie belast met het gezag over de krijgsmacht. In de Oorlogswet van 16 juli 1964 (Stb. 337) wordt in artikel 1 gesproken van ‘de militaire taak ter handhaving van de in- en uitwendige veiligheid’.

Hoofddoelstelling van de Nederlandse krijgsmacht is het zorgen voor de militaire bijdrage ter bescherming van de belangen van het Koninkrijk

1 De doelstellingen zijn ontleend aan ‘Doelstellingen structuur Nederlandse Defensie’ (Staatsuitgeverij ’s-Gravenhage 1980). Het institutioneel onderzoek door PIVOT heeft uitgewezen dat deze doelstellingen sinds 1945 onveranderd zijn gebleven.

. Deze hoofddoelstelling kan worden onderverdeeld in vier subdoelstellingen:

1. zorgen voor het in Koninkrijksverband beschermen en verdedigen van het Nederlandse territoir en dat van de Overzeese Rijksdelen;

2. zorgen voor de in bondgenootschappelijk verband geformuleerde bijdrage ter voorkoming van oorlog en om agressie te keren;

3. zorgen voor de militaire bijdrage in internationaal verband, buiten het bondgenootschappelijk verdragsgebied, in het kader van het handhaven van de internationale vrede en veiligheid;

4. verlenen van maatschappelijke bijstand en steun in Koninkrijksverband.

Er bestaan voor elk krijgsmachtdeel afzonderlijke doelstellingen en taken, die op elkaar zijn afgestemd door het geformuleerde integrale Defensiebeleid.

Als middel om de taken uit te voeren en de doelstellingen te realiseren beschikt de minister van Defensie over een krijgsmacht, die is opgebouwd uit drie (krijgsmacht)delen, namelijk de Koninklijke marine, de Koninklijke landmacht en de Koninklijke luchtmacht. Hoe deze krijgsmacht eruit ziet, is in de Grondwet ten dele bepaald. De Grondwet zegt dat de krijgsmacht bestaat uit vrijwillig dienenden en uit dienstplichtigen

2 In 1994 zal deze bepaling in de Grondwet worden gewijzigd.

. Dat de krijgsmacht ook materiële middelen ter beschikking heeft om zijn taken uit te kunnen voeren, wordt niet in de Grondwet vermeld.

Voor de uitoefening van zijn taken moet de minister kunnen beschikken over een goed middel, dat wil zeggen een goed geoutilleerde krijgsmacht. Enerzijds verricht de minister handelingen die direct gericht zijn op de uitvoering van de hierboven genoemde (operationele) taken en het behalen van de doelstelingen en anderzijds verricht de minister handelingen gericht op de instandhouding van de krijgsmacht, als middel om de uitvoering van die operationele taken mogelijk te maken.

De taken en handelingen die worden verricht om een krijgsmacht op te bouwen en in stand te houden, kunnen worden ondergebracht in twee beleidsterreinen, namelijk de beleidsterreinen militair personeel en militair materieel. In dit BSD wordt uitgegaan van het beleidsterrein militair materieel. De doelstelling voor wat betreft het beleidsterrein militair materieel is er voor te zorgen dat de krijgsmacht onder alle omstandigheden kan beschikken over de materiële middelen die nodig zijn voor de uitoefening van haar (operationele) taken. Deze doelstelling wordt gerealiseerd door drie deelprocessen, te weten:

a. ‘het voorzien in’ (keuze, verwerving en introductie van materieel)

b. ‘het instandhouden’ (modificatie, onderhoud en reparatie, bevoorrading)

c. ‘het afstoten’ (afvoeren uit de sterkte)

Het beleid bij Defensie wordt bepaald door de operationele taken en doelstellingen. De doelstellingen en taken op de beleidsterreinen materieel en personeel zijn een afgeleide van de operationele doelstellingen. Personeel en materieel zijn middelen waarmee de krijgsmacht haar taken uitvoert.

De operationele doelstellingen en taken van de krijgsmacht worden door de staven geformuleerd, waarbij deze ook de middelen aangeven waarmee de doelstellingen en taken kunnen worden gerealiseerd. Doelstellingen, taken en middelen van alle krijgsmachtdelen worden bepaald in het planningsproces, dat voor 1978 heeft geleid tot krijgsmachtdeelplannen (vlootplan, legerplan en luchtmachtplan) en na 1978 heeft geleid tot integrale Defensieplannen. Sluitstuk van de operationele behoefteplanning is de politieke besluitvorming. Eerst stelt de minister van Defensie de definitieve plannen vast in de Defensieraad, daarna sanctioneert de Staten-Generaal deze plannen.

Nadat de operationele behoefte aan militair materieel is vastgesteld, moeten de plannen worden uitgevoerd. De staven van de krijgsmachtdelen formuleren de specifieke operationele eisen waaraan het te realiseren militaire materieel moet voldoen. Hoewel in het rapport ‘Roeien met de riemen’ ook de operationele behoeftestelling is beschreven en het vaststellen van de operationele (staf)eisen als handeling is opgenomen, kan gesteld worden dat deze elementen nog operationele aangelegenheden zijn. Zoals boven al is beschreven, begint het beleidsterrein militair materieel met het deelproces ‘voorzien in’, dat wil zeggen het verwerven van materieel.

De directies materieel bereiden de besluitvorming over de keuze van het materieel voor in het verwervingsproces. De directies hebben hierbij een grote mate van beleidsvrijheid, mits wordt voldaan aan de gestelde randvoorwaarden zoals het beschikbare budget, de operationele stafeisen en de algemene uitgangspunten van het Defensie materieelbeleid, dat zij zelf (mede)vormgeven en dat door de minister wordt vastgesteld.

De verwervingsvoorbereiding van belangrijk militair materieel mondt uit in politieke besluitvorming. Na deze besluitvorming zorgen de materieeldirecties ervoor dat de gekozen middelen daadwerkelijk totstandkomen. Sinds 1984 is het gehele verwervingsproces, dat leidt tot het politieke besluit omtrent het wel of niet verwerven van militair materieel, gestructureerd door middel van het Defensie Materieelkeuze Proces (DMP).

Uit het rapport ‘Roeien met de riemen’ blijkt dat de minister van Defensie niet de enige actor is die werkzaamheden verricht op het beleidsterrein militair materieel. Onder meer wordt een aantal interdepartementale commissies behandeld. De handelingen van die commissies worden in het BSD met een B(ewaren) gewaardeerd, omdat de handelingen bepalend zijn voor de coördinatie van het handelen van verscheidene overheidsorganen en omdat in de commissies een belangenafweging plaatsvindt.

Op grond van het bovenstaande kan worden gesteld dat de hoofdlijnen worden bepaald door de operationele doelstellingen en taken, de vormgeving van het beleid ten aanzien van de middelen waarmee die doelstellingen en taken kunnen worden gerealiseerd (het materieelbeleid en personeelsbeleid) en de politieke besluitvorming over het te verwerven materieel.

Regeling
Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Militair materieel vanaf 1945 (Minister van Verkeer en Waterstaat)
Soort
Archiefselectielijst
Geldend vanaf
26-04-2007
BWB-id
BWBR0021737
Versie
2007-04-26_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl