wetzoeker

1.3.4 Europees financieel en monetair beleid Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Internationale Monetaire en Financiële Zaken 1945- (Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit)

De Europese landen ondervonden nadelige gevolgen van de zwevende wisselkoersen aangezien hun economieën steeds meer op elkaar aangewezen raakten. In 1972 besloten zij hun munten in de ‘slang’ onder te brengen. Dit besluit was tevens ingegeven door het streven van de EG naar een ruimte waarin personen, goederen en kapitaal vrij konden bewegen en waar één valuta zou gelden. Al in de jaren zestig startten de besprekingen over een Europese munteenheid. In 1969 wordt het plan van de Luxemburger Pierre Werner ontworpen, waarbij sprake is van de instelling van één Europese munt. Dit plan was een poging de monetaire eenheid in Europa te bewaren met het oog op het gemeenschappelijke landbouwbeleid. De betrokken staten wilden echter geen bevoegdheden overdragen. Ook sneuvelde het plan als gevolg van de oliecrisis in 1973. De slang was een systeem waarbij de landen met een smalle bandbreedte hun koersen beperkten. Deze ‘slang’ had ook een bredere band met de dollar. Deze band werd later los gelaten.

De ‘slang’ was niet erg succesvol en niet bestand tegen de recessie in 1973. In 1978 werd de slang vervangen door het Europese Monetair Stelsel (EMS). Daarbij werd ook een ‘gemeenschappelijke munt’ gecreëerd, n.l. de ECU. Het EMS dat in 1978 het slangarrangement uit 1972 verving was een nieuwe creatie van dat arrangement. Vóór de instelling van het EMS was ieder land zelf verantwoordelijk voor de eigen koers van zijn valuta. Met het EMS werden de valutakoersen een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de aangesloten landen. In het EMS was de D-mark de ankermunt. De EMS kende stabiele, maar aanpasbare wisselkoersen. In de jaren tot 1992 kreeg de vrije interne markt van de EU-landen meer gestalte. Uiteindelijk werd in het Verdrag van Maastricht, gesloten in 1992, vastgelegd dat de EU een gemeenschappelijke munt zou krijgen. Het Verdrag van Maastricht bevatte de statuten van de Europese Centrale Bank, een tijdschema en de voorwaarden waaraan de Europese landen moeten voldoen om deel te kunnen nemen in de Europese munt, de euro. De hoofddoelstelling van het Europees monetair beleid is het handhaven van prijsstabiliteit. Het EMI coördineerde het monetaire beleid van de lidstaten tot de oprichting van de centrale bank.

In 1997 werd op de top van Amsterdam overeenstemming bereikt over het Stabiliteits- en Groeipact. Deze overeenkomst voorzag in een begrotingsdiscipline voor de Euro-landen, om te voorkomen dat het monetaire beleid van de Europese Centrale Bank overbelast zou raken en om ruimte te scheppen voor automatische begrotingsstabilisatoren. Het Stabiliteitspact biedt de deelnemende landen zekerheid dat ieder land zich aan de budgettaire regels zal houden. Het Stabiliteitspact trad op 1 juli 1998 in werking.

Op 1 janari 1999 ging de derde fase van de EMU van start. Vanaf 1 janari 1999 is voor de deelnemende landen monetair beleid gemeenschappelijk beleid. Ook het wisselkoersbeleid is met ingang van deze datum gemeenschappelijk beleid. Niet gemeenschappelijk is het budgettaire en het structurele beleid. Wel is in het Verdrag van Maastricht opgenomen dat de lidstaten hun economisch beleid als een zaak van gemeenschappelijk belang beschouwen en dit beleid coördineren. Met de oprichting van de EMU en zijn instellingen, heeft Nederland zijn eigen bevoegdheid tot het voeren van een internationaal monetair en wisselkoersbeleid verloren.

Regeling
Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Internationale Monetaire en Financiële Zaken 1945- (Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit)
Soort
Archiefselectielijst
Geldend vanaf
20-04-2007
BWB-id
BWBR0021703
Versie
2007-04-20_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl