wetzoeker

Doelstellingen van de overheid op het beleidsterrein Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Volksgezondheidssubsidies vanaf 1945 (Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport)

De Nederlandse gezondheidszorg en maatschappelijke dienstverlening kostten in 1996 zo’n 66 miljard gulden, die werden betaald vanuit vier financieringsbronnen.

1. Om te beginnen is er het ziekenfonds, dat ruim een derde van de kosten voor zijn rekening neemt. Het garandeert de verzekerden (betaling van) medische, paramedische en farmaceutische hulp.

2. De volgende financieringsbron – bijna half zo groot als de vorige – is de particuliere verzekering: mensen boven een bepaalde inkomensgrens krijgen langs deze weg vergelijkbare zorg als de ziekenfondsverzekerden.

3. Omdat men zich voor sommige zaken redelijkerwijs niet kan verzekeren, is met de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten in 1967 het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten (zie hoofdstuk 2) in het leven geroepen, de derde financieringsbron. Psychiatrische opnames, zwakzinnigenzorg, verblijf in gezinsvervangende tehuizen of verpleeghuizen behoren vanouds tot het AWBZ-pakket. In de jaren tachtig zijn daar de gezinszorg, het kruiswerk en hulpmiddelen bij gekomen; vanaf dat moment wordt ruim een derde van de kosten van de gezondheidszorg gefinancierd op basis van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten.

4. Tot slot is er de overheid, die garant staat voor zo’n vijf procent van de kosten, namelijk die van de collectieve preventie en de academische ziekenhuizen.

Naast deze geldstromen bestaan nog enkele kleinere, die ongeveer een tiende van het totale zorgbudget uitmaken en die hier verder niet zullen worden behandeld.

Van de ruwweg drie miljard gulden, die de verschillende overheden bijdragen aan de gezondheidszorg en maatschappelijke dienstverlening, kan in de jaren ’90 ongeveer een zesde worden aangemerkt als rijkssubsidie, ofwel ruim 500 miljoen gulden. In verhouding tot de astronomische bedragen die in de gezondheidszorg omgaan is dit weinig, maar dat wil niet zeggen dat de overheidsbijdrage onbelangrijk zou zijn; de overheid kan de ontwikkeling van de sector immers sturen door sommige trends wel en andere niet te versterken. Ze heeft het beleidsinstrument niet onbenut gelaten. Van begin af aan al niet.

De oudste officiële subsidieregeling was die voor de bestrijding van de tuberculose en hierbij is al te zien dat de overheid de verstrekking van subsidie benutte om vat te krijgen op de betrokken verenigingen. Die kregen alleen subsidie als ze zich onderwierpen aan het toezicht van de inspecteurs van het Staatstoezicht op de Volksgezondheid en gediplomeerde krachten in dienst zouden nemen. Deze eisen resulteerden bij de tuberculosebestrijding inderdaad in de beoogde kwaliteitsverbetering.

Tot in de jaren ’70 bevatte elke officiële rijkssubsidieregeling dan ook bepalingen waarvan de strekking was dat de gesubsidieerde personeelsleden bepaalde diploma’s moesten hebben en dat de inspecteur van het Staatstoezicht op de Volksgezondheid toezicht hield op het werk van de gesubsidieerde instelling, en daaraan zonodig leiding gaf. De overheid bediende zich dus van het subsidie-instrument om invloed te krijgen op het beleid van de gesubsidieerde instellingen. Dit zou pas in de loop van de jaren ’80 veranderen.

Er zijn nog twee andere redenen waarom de rijksoverheid tot subsidiëring overgaat. Soms verstrekt de Minister een zogeheten waarderingssubsidie, een eenmalige bijdrage om een sympathiek initiatief te steunen. Op het gebied van de volksgezondheid zijn deze subsidies zeer zeldzaam, al is het wel eens voorgekomen dat geld is gegeven aan iemand die een geschiedenis van het ziekenfondswezen of een jubileumboek voor deze of gene stichting wilde schrijven. Een laatste reden om te subsidiëren is het bewerkstelligen van inverdieneffecten: in wezen komt dit neer op een stimuleringsregeling waarbij wordt verondersteld dat in de nabije toekomst een bezuiniging kan worden bereikt. Aan deze theorie werd vooral in de jaren ’70 veel geloof gehecht, toen men meende dat het vergroten van de publieke rijkdom zichzelf zou terugverdienen. Omdat de verwachte inverdieneffecten tegenvielen, werd dit spoor verlaten.

Regeling
Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Volksgezondheidssubsidies vanaf 1945 (Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport)
Soort
Archiefselectielijst
Geldend vanaf
07-01-2007
BWB-id
BWBR0020954
Versie
2007-01-07_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl