wetzoeker

Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet

Wet van 7 december 2006 houdende invoering van de Pensioenwet (Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet)

Soort
Wet
Geldend vanaf
01-01-2019
Rechtsgebied
Arbeidsrecht en sociaal-zekerheidsrecht, Pensioenrecht
Ministerie
Sociale Zaken en Werkgelegenheid
BWB-id
BWBR0020828
Versie
2019-01-01_0
SHA-256 bron
4aa9039053c1052b71650948bd236af1959d6bdf9678e92543ccac48875742c9

Officiële tekst op wetten.overheid.nl

Inhoud (114)
  1. Artikel 1
  2. Artikel 2
  3. Artikel 2a
  4. Artikel 3
  5. Artikel 4
  6. Artikel 5
  7. Artikel 6
  8. Artikel 7
  9. Artikel 8
  10. Artikel 9
  11. Artikel 10
  12. Artikel 11
  13. Artikel 12
  14. Artikel 13
  15. Artikel 14
  16. Artikel 15
  17. Artikel 16
  18. Artikel 17
  19. Artikel 18
  20. Artikel 19
  21. Artikel 20
  22. Artikel 20a
  23. Artikel 21
  24. Artikel 22
  25. Artikel 23
  26. Artikel 24
  27. Artikel 24a
  28. Artikel 25
  29. Artikel 25a
  30. Artikel 26
  31. Artikel 27
  32. Artikel 28
  33. Artikel 29
  34. Artikel 30
  35. Artikel 31
  36. Artikel 32
  37. Artikel 33
  38. Artikel 34
  39. Artikel 35
  40. Artikel 36
  41. Artikel 37
  42. Artikel 38
  43. Artikel 39
  44. Artikel 40
  45. Artikel 41
  46. Artikel 42
  47. Artikel 43
  48. Artikel 43a
  49. Artikel 44
  50. Artikel 45
  51. Artikel 45a
  52. Artikel 46
  53. Artikel 47
  54. Artikel 48
  55. Artikel 48a
  56. Artikel 48b
  57. Artikel 49
  58. Artikel 49a
  59. Artikel 50
  60. Artikel 51
  61. Artikel 52
  62. Artikel 53
  63. Artikel 54
  64. Artikel 55
  65. Artikel 56
  66. Artikel 57
  67. Artikel 58
  68. Artikel 59
  69. Artikel 60
  70. Artikel 61
  71. Artikel 62
  72. Artikel 63
  73. Artikel 64
  74. Artikel 65
  75. Artikel 66
  76. Artikel 67
  77. Artikel 68
  78. Artikel 69
  79. Artikel 70
  80. Artikel 70a
  81. Artikel 71
  82. Artikel 71a
  83. Artikel 72
  84. Artikel 73
  85. Artikel 74
  86. Artikel 75
  87. Artikel 76
  88. Artikel 77
  89. Artikel 78
  90. Artikel 79
  91. Artikel 80
  92. Artikel 81
  93. Artikel 82
  94. Artikel 83
  95. Artikel 84
  96. Artikel 85
  97. Artikel 85a
  98. Artikel 86
  99. Artikel 87
  100. Artikel 88
  101. Artikel 89
  102. Artikel 90
  103. Artikel 91
  104. Artikel 92
  105. Artikel 93
  106. Artikel 93a
  107. Artikel 94
  108. Artikel 95
  109. Artikel 95a
  110. Artikel 95b
  111. Artikel 96
  112. Artikel 96a
  113. Artikel 97
  114. Artikel 98

Hoofdstuk 1 — Definities

Artikel 1

1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

– Pensioen- en spaarfondsenwet: de Pensioen- en spaarfondsenwet en de daarop berustende bepalingen zoals deze luidden op de peildatum;

– peildatum: de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel 1 van de Pensioenwet.

2 De definities van artikel 1 van de Pensioenwet zijn van overeenkomstige toepassing op de artikelen 7, 8, 9, 10, het eerste lid van de artikelen 11 tot en met 17, 18, 20, eerste lid, 21, eerste lid, 22, derde, vijfde, zevende, negende en elfde lid, 23, eerste lid, 24, eerste lid, 24a, eerste lid, 25, eerste en tweede lid, 26, eerste lid, 29, eerste en tweede lid, 30, eerste en tweede lid, 32, eerste, tweede en derde lid, 33, het eerste lid van de artikelen 35 tot en met 38, 42, eerste lid, 44, eerste lid, 48, 53, tweede lid, 59, derde en vierde lid, 63, 64 en 66 van deze wet.

3 De definities van artikel 1 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals deze komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, zijn van overeenkomstige toepassing op het tweede lid van de artikelen 11 tot en met 16, 17, derde lid, 20, tweede lid, 21, tweede lid, 22, vierde, zesde, achtste, tiende en twaalfde lid, 23, tweede lid, 24, tweede lid, 24a, tweede lid, 25, derde en vierde lid, 26, tweede lid29, derde en vierde lid, 30, derde en vierde lid, 32, vierde, vijfde en zesde lid, het tweede lid van de artikelen 35 tot en met 38, 42, tweede lid, 44, tweede lid en 53, vierde lid van deze wet.

Hoofdstuk 2 — Overgangsrecht

Artikel 2

De Pensioen- en spaarfondsenwet wordt ingetrokken.

Hoofdstuk 2 — Overgangsrecht

Artikel 2a

1 Op een verzoek ingediend op grond van de Pensioen- en spaarfondsenwet, ten aanzien waarvan op de peildatum nog geen beslissing is genomen, blijft, in afwijking van artikel 2, de Pensioen- en spaarfondsenwet van toepassing, tenzij in deze wet anders wordt bepaald.

2 Op een verzoek ingediend op grond van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals deze luidde op de peildatum, ten aanzien waarvan op de peildatum nog geen beslissing is genomen, blijft de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals deze luidde op de peildatum, van toepassing, tenzij in deze wet anders wordt bepaald.

Hoofdstuk 2 — Overgangsrecht

Artikel 3

Indien een onderneming die op de peildatum is aangesloten bij een ondernemingspensioenfonds als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de Pensioen- en spaarfondsenwet op de datum van inwerkingtreding van artikel 1 van de Pensioenwet geen deel uitmaakt van de groep waaraan dit ondernemingspensioenfonds, bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet, is verbonden, kan dit ondernemingspensioenfonds blijven optreden als pensioenuitvoerder voor deze onderneming.

Hoofdstuk 2 — Overgangsrecht

Artikel 4

1 Indien een op de peildatum bestaand bedrijfstakpensioenfonds of ondernemingspensioenfonds als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b onderscheidenlijk c, van de Pensioen- en spaarfondsenwet op de datum van inwerkingtreding van artikel 1 van de Pensioenwet niet voldoet aan de definitie van pensioenfonds, bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet, omdat het pensioenfonds slechts ten behoeve van één deelnemer, gewezen deelnemer of nabestaande werkzaam is, wordt dit pensioenfonds gelijkgesteld met een pensioenfonds in de zin van de Pensioenwet.

2 In afwijking van het eerste lid wordt het in dat lid bedoelde pensioenfonds een jaar na inwerkingtreding van artikel 1 van de Pensioenwet gelijkgesteld met een pensioenfonds in de zin van de Pensioenwet, indien het pensioenfonds werkzaam is ten behoeve van een directeur-grootaandeelhouder waarop artikel 8, eerste en tweede lid, van deze wet van toepassing is.

Hoofdstuk 2 — Overgangsrecht

Artikel 5

Indien op de peildatum een spaarfonds als bedoeld in artikel 3 van de Pensioen- en spaarfondsenwet werkzaam is, blijft in afwijking van artikel 2 op dit spaarfonds de Pensioen- en spaarfondsenwet van toepassing, met dien verstande dat vanaf een jaar na de datum van inwerkingtreding van artikel 1 van de Pensioenwet geen bijdragen meer aan het spaarfonds kunnen worden gedaan.

Hoofdstuk 2 — Overgangsrecht

Artikel 6

1 Indien een pensioen in de zin van de Pensioen- en spaarfondsenwet niet voldoet aan de definitie van ouderdoms-, partner-, wezen- of arbeidsongeschiktheidspensioen, bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet, omdat er geen sprake is van een geldelijke, vastgestelde uitkering, wordt dit pensioen, indien het is verworven in de periode tot een jaar na de datum van inwerkingtreding van artikel 1 van de Pensioenwet, gelijkgesteld met een pensioen in de zin van de Pensioenwet.

2 Indien een pensioen in de zin van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals deze luidde tot de datum van inwerkingtreding van deze wet, niet voldoet aan de definitie van ouderdoms-, partner-, wezen- of arbeidsongeschiktheidspensioen, bedoeld in artikel 1 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, omdat er geen sprake is van een geldelijke, vastgestelde uitkering, wordt dit pensioen, indien het is verworven in de periode tot een jaar na de datum van inwerkingtreding van deze wet gelijkgesteld met een pensioen in de zin van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.

3 Indien op de peildatum een arbeidsongeschiktheidspensioen in de zin van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals deze luidde tot de datum van inwerkingtreding van deze wet, niet voldoet aan de definitie van arbeidsongeschiktheidspensioen, bedoeld in artikel 1 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, omdat het arbeidsongeschiktheidspensioen is toegekend nadat de arbeidsongeschiktheid minder dan 104 weken heeft geduurd, wordt dit arbeidsongeschiktheidspensioen gelijkgesteld met een arbeidsongeschiktheidspensioen in de zin van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.

Hoofdstuk 2 — Overgangsrecht

Artikel 7

1 Indien een persoon die op de peildatum verbonden is aan een onderneming en pensioenaanspraken verwerft, op de datum van inwerkingtreding van artikel 1 van de Pensioenwet geen werknemer is als bedoeld in de Pensioenwet, wordt hij gelijkgesteld met een werknemer als bedoeld in die wet.

2 Het eerste lid is niet van toepassing op de directeur-grootaandeelhouder, bedoeld in de Pensioenwet.

Hoofdstuk 2 — Overgangsrecht

Artikel 8

1 Indien uiterlijk op de peildatum een pensioentoezegging als bedoeld in artikel 2 van de Pensioen- en spaarfondsenwet is gedaan aan een directeur-grootaandeelhouder, blijft gedurende een jaar na inwerkingtreding van artikel 1 van de Pensioenwet, in afwijking van artikel 2, de Pensioen- en spaarfondsenwet van toepassing op deze pensioentoezegging.

2 De directeur-grootaandeelhouder, bedoeld in het eerste lid, wiens pensioentoezegging een jaar na de datum van inwerkingtreding van artikel 1 van de Pensioenwet is ondergebracht bij een pensioenuitvoerder als pensioen in de zin van de Pensioen- en spaarfondsenwet, wordt gelijkgesteld met een werknemer als bedoeld in de Pensioenwet.

3 Indien de pensioentoezegging, bedoeld in het tweede lid, is ondergebracht bij een verzekeraar is er sprake van pensioen in de zin van de Pensioen- en spaarfondsenwet indien de directeur-grootaandeelhouder dit als zodanig heeft aangemerkt.

4 De directeur-grootaandeelhouder, bedoeld in het eerste lid, wiens pensioentoezegging een jaar na inwerkingtreding van de Pensioenwet overeenkomstig artikel 2, derde lid, onderdeel c, van de Pensioen- en spaarfondsenwet niet is ondergebracht bij een pensioenuitvoerder wordt niet gelijkgesteld met een werknemer in de zin van de Pensioenwet.

5 Indien de in het vierde lid bedoelde toezegging mede een toezegging omtrent partnerpensioen omvat en er uiterlijk een jaar na inwerkingtreding van artikel 1 van de Pensioenwet sprake is geweest van een scheiding, blijven, in afwijking van artikel 2, de artikelen 8a en 8c, tweede lid, van de Pensioen- en spaarfondsenwet van toepassing.

Hoofdstuk 2 — Overgangsrecht

Artikel 9

Indien uiterlijk op de peildatum een geldelijke, vastgestelde uitkering is overeengekomen voor een gewezen werknemer die wordt gedaan bij wijze van inkomensvoorziening bij ouderdom in verband met vervroegde uittreding wordt deze gelijkgesteld met een uitkering als bedoeld in artikel 2, vierde lid, van de Pensioenwet.

Hoofdstuk 2 — Overgangsrecht

Artikel 10

Indien uiterlijk op de peildatum een geldelijke, vastgestelde uitkering is overeengekomen voor een gewezen werknemer die wordt gedaan bij wijze van inkomensvoorziening bij ouderdom en deze uitkering is gebaseerd op een regeling die leidt tot uitkeringen vanaf een bepaalde leeftijd aan werknemers die werkzaamheden verrichten die door de werkgever als substantieel bezwarend zijn aangemerkt, wordt deze gelijkgesteld met een uitkering als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, van de Pensioenwet.

Hoofdstuk 2 — Overgangsrecht

Artikel 11

1 Artikel 10 van de Pensioenwet is niet van toepassing op pensioenaanspraken die zijn verworven voor de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.

2 Artikel 28 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, is niet van toepassing op pensioenaanspraken die zijn verworven voor de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.

Hoofdstuk 2 — Overgangsrecht

Artikel 12

1 Artikel 11 van de Pensioenwet is niet van toepassing op pensioenaanspraken die zijn verworven voor de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.

2 Artikel 29 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, is niet van toepassing op pensioenaanspraken die zijn verworven voor de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.

Hoofdstuk 2 — Overgangsrecht

Artikel 13

1 Artikel 13 van de Pensioenwet is niet van toepassing op pensioenaanspraken die zijn verworven voor de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.

2 Artikel 30 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, is niet van toepassing op pensioenaanspraken die zijn verworven voor de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.

Hoofdstuk 2 — Overgangsrecht

Artikel 14

1 Werknemers van 21 jaar of ouder die op de peildatum niet in de pensioenregeling van hun werkgever deelnemen, omdat zij jonger zijn dan de op basis van de pensioenregeling gehanteerde toegangsleeftijd, verwerven pensioenaanspraken vanaf de datum van inwerkingtreding van de artikelen 8, vijfde lid, en 14 van de Pensioenwet.

2 Beroepsgenoten van 21 jaar of ouder die op de datum van inwerkingtreding van artikel 22 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na inwerkingtreding van deze wet, niet in de pensioenregeling zijn opgenomen, omdat zij jonger zijn dan de op basis van de pensioenregeling gehanteerde toetredingsleeftijd, verwerven pensioenaanspraken vanaf de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.

Hoofdstuk 2 — Overgangsrecht

Artikel 15

1 Artikel 15 van de Pensioenwet is niet van toepassing ten aanzien van pensioenaanspraken die zijn verworven voor de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.

2 Artikel 31 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, is niet van toepassing op pensioenaanspraken die zijn verworven voor de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.

Hoofdstuk 2 — Overgangsrecht

Artikel 16

1 Indien een pensioenovereenkomst op de datum van inwerkingtreding van artikel 16 van de Pensioenwet voorziet in partnerpensioen, waarbij bij de vaststelling van pensioenaanspraken en pensioenrechten op partnerpensioen onderscheid gemaakt wordt tussen een echtgenoot en een geregistreerde partner enerzijds en een andere partner in de zin van de pensioenovereenkomst anderzijds, hebben wijzigingen in rechten en verplichtingen die ontstaan als gevolg van de gelijkstelling, bedoeld in genoemd artikel, uitsluitend betrekking op partnerpensioenaanspraken ten behoeve van een partner van degene die op de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel deelnemer is.

2 Indien een pensioenregeling op de datum van inwerkingtreding van artikel 32 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, voorziet in partnerpensioen, waarbij echter bij de vaststelling van pensioenaanspraken en pensioenrechten op partnerpensioen onderscheid gemaakt wordt tussen een echtgenoot en een geregistreerde partner enerzijds en een andere partner in de zin van de pensioenregeling anderzijds, hebben wijzigingen in rechten en verplichtingen die ontstaan als gevolg van de gelijkstelling, bedoeld in genoemd artikel, uitsluitend betrekking op partnerpensioenaanspraken ten behoeve van een partner van degene die op de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel deelnemer is.

Hoofdstuk 2 — Overgangsrecht

Artikel 17

1 Artikel 21, eerste lid, van de Pensioenwet is niet van toepassing op pensioenovereenkomsten die zijn gesloten voor de datum van inwerkingtreding van genoemd artikellid.

2 Tot de datum van inwerkingtreding van artikel 21, eerste lid, van de Pensioenwet blijft, in afwijking van artikel 2, artikel 17, eerste lid, van de Pensioen- en spaarfondsenwet van toepassing. Is de pensioenuitvoerder een verzekeraar dan is artikel 17, eerste lid, van de Pensioen- en spaarfondsenwet van overeenkomstige toepassing.

3 Artikel 48, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, is niet van toepassing op pensioenregelingen die zijn gesloten voor de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.

4 Tot de datum van inwerkingtreding van artikel 48, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, blijft artikel 25 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dit luidde op de peildatum, van toepassing.

Hoofdstuk 2 — Overgangsrecht

Artikel 18

1 De in artikel 23 van de Pensioenwet opgenomen verplichting tot het sluiten van een uitvoeringsovereenkomst geldt met ingang van een jaar na de datum van inwerkingtreding van artikel 1 van de Pensioenwet voor pensioenfondsen en met ingang van twee jaar na de datum van inwerkingtreding van artikel 1 van de Pensioenwet voor verzekeraars.

2 In afwijking van artikel 2 blijft, tot het in het eerste lid bedoelde tijdstip, artikel 3a, eerste lid, van de Pensioen- en spaarfondsenwet van toepassing.

3 De in artikel 23 opgenomen verplichting van een werkgever tot onderbrenging geldt niet ten aanzien van een pensioentoezegging als bedoeld in de Pensioen- en spaarfondsenwet, welke op grond van artikel 2, eerste lid, onderdeel c, en vierde lid, onderdeel c, van de Pensioen- en spaarfondsenwet al is ondergebracht bij een verzekeraar.

4 Ten aanzien van de in het derde lid bedoelde pensioentoezegging is de Pensioenwet van toepassing, met uitzondering van de artikelen 23 tot en met 27 en 29, indien na de datum van inwerkingtreding van artikel 1 van de Pensioenwet nog verwerving van pensioen plaatsvindt.

5 Ten aanzien van de in het derde lid bedoelde pensioentoezegging waarbij na de datum van inwerkingtreding van de Pensioenwet geen verwerving van pensioen meer plaatsvindt, blijven, in afwijking van artikel 2, de Pensioen- en spaarfondsenwet en hoofdstuk I en III van de Regelen verzekeringsovereenkomsten Pensioen- en spaarfondsenwet van toepassing.

Hoofdstuk 2 — Overgangsrecht

Artikel 19

In afwijking van artikel 2 blijft de Pensioen- en spaarfondsenwet van toepassing op een pensioentoezegging als bedoeld in artikel 2 van die wet, indien die pensioentoezegging op de peildatum niet is ondergebracht bij een pensioenuitvoerder op grond van:

a. artikel 2, derde lid, onderdeel a, van de Pensioen- en spaarfondsenwet;

b. artikel 2, derde lid, onderdeel d, van de Pensioen- en spaarfondsenwet; of

c. een ontheffing die op grond van artikel 2, eerste lid, onderdeel c, van de Beleidsregels ontheffingen Pensioen- en spaarfondsenwet is verleend.

Hoofdstuk 2 — Overgangsrecht

Artikel 20

1 De in artikel 28 van de Pensioenwet opgenomen informatieverplichting van een pensioenfonds jegens gewezen deelnemers heeft uitsluitend betrekking op degenen die na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel gewezen deelnemer zijn geworden en op de gewezen deelnemers die het pensioenfonds hebben geïnformeerd over hun adres.

2 De in artikel 38 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, opgenomen informatieverplichting van een beroepspensioenfonds jegens gewezen deelnemers heeft uitsluitend betrekking op degenen die na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel gewezen deelnemer zijn geworden en op de gewezen deelnemers die het beroepspensioenfonds hebben geïnformeerd over hun adres.

Hoofdstuk 2 — Overgangsrecht

Artikel 20a

1 Tot de datum van inwerkingtreding van artikel 29 van de Pensioenwet blijven, in afwijking van artikel 2, de artikelen 3a, vierde lid, van de Pensioen- en spaarfondsenwet en 12 van de Regelen verzekeringsovereenkomsten Pensioen- en spaarfondsenwet van toepassing.

2 Artikel 29 van de Pensioenwet is niet van toepassing op premies die zijn verschuldigd voor de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.

Hoofdstuk 2 — Overgangsrecht

Artikel 21

1 Artikel 35 van de Pensioenwet geldt niet indien op de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel in het kader van een pensioenregeling geen verwerving van pensioenaanspraken meer plaatsvindt.

2 De pensioenuitvoerder is niet verantwoordelijk voor de inhoud van pensioenreglementen voor de datum van inwerkingtreding van artikel 35 van de Pensioenwet.

3 Artikel 21 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, geldt niet indien op de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel in het kader van een pensioenregeling geen verwerving van pensioenaanspraken meer plaatsvindt.

4 De pensioenuitvoerder is niet verantwoordelijk voor de inhoud van pensioenreglementen voor de datum van inwerkingtreding van artikel 21 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet.

Hoofdstuk 2 — Overgangsrecht

Artikel 22

1 Tot de datum van inwerkingtreding van de artikelen 38 tot en met 45 van de Pensioenwet blijven, in afwijking van artikel 2, de artikelen 8, vierde lid, 17, 17a en 17b van de Pensioen- en spaarfondsenwet en 13 en 13a van de Regelen verzekeringsovereenkomsten Pensioen- en spaarfondsenwet van toepassing.

2 Tot de datum van inwerkingtreding van de artikelen 49 tot en met 56 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals deze komen te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, blijven de artikelen 26 tot en met 27 en 31 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals deze luidden op de peildatum, van toepassing.

3 Na de datum van inwerkingtreding van artikel 38 van de Pensioenwet wordt door de pensioenuitvoerder bij de eerste informatieverstrekking op grond van genoemd artikel na de datum van inwerkingtreding van dat artikel aan de deelnemer informatie verstrekt over het karakter van de pensioenovereenkomst, bedoeld in artikel 10 van de Pensioenwet.

4 Na de datum van inwerkingtreding van artikel 49 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, wordt door de pensioenuitvoerder bij de eerste informatieverstrekking op grond van genoemd artikel na de datum van inwerkingtreding van dat artikel aan de deelnemer informatie verstrekt over het karakter van de pensioenregeling, bedoeld in artikel 28 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na inwerkingtreding van deze wet.

5 Artikel 40 van de Pensioenwet is van toepassing op degenen die na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel gewezen deelnemer zijn geworden en de gewezen deelnemers die zich bij de pensioenuitvoerder hebben gemeld met het verzoek om hen de in genoemd artikel bedoelde informatie te verstrekken.

6 Artikel 51 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, is van toepassing op degenen die na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel gewezen deelnemer zijn geworden en de gewezen deelnemers die zich bij de pensioenuitvoerder hebben gemeld met het verzoek om hen de in genoemd artikel bedoelde informatie te verstrekken.

7 Artikel 42 van de Pensioenwet is van toepassing op degenen van wie de datum van scheiding ligt na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.

8 Artikel 53 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, is van toepassing op degenen van wie de datum van scheiding ligt na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.

9 Ten aanzien van degenen van wie de datum van scheiding voor de datum van inwerkingtreding van artikel 42 van de Pensioenwet ligt, geldt de in genoemd artikel opgenomen verplichting van de pensioenuitvoerder alleen ten aanzien van degenen die zich bij de pensioenuitvoerder hebben gemeld met het verzoek om hen de in genoemd artikel bedoelde informatie te verstrekken.

10 Ten aanzien van degenen van wie de datum van scheiding voor de datum van inwerkingtreding van artikel 53 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, ligt, geldt de in genoemd artikel opgenomen verplichting van de pensioenuitvoerder alleen ten aanzien van degenen die zich bij de pensioenuitvoerder hebben gemeld met het verzoek om hen de in genoemd artikel bedoelde informatie te verstrekken.

11 Artikel 43 van de Pensioenwet is van toepassing op degenen die na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel pensioengerechtigd geworden zijn.

12 Artikel 54 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, is van toepassing op degenen die na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel pensioengerechtigd geworden zijn.

Hoofdstuk 2 — Overgangsrecht

Artikel 23

1 Artikel 52 van de Pensioenwet geldt met ingang van de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel ten aanzien van de voor en na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel verworven en nog te verwerven pensioenaanspraken indien en zolang de deelnemer of de gewezen deelnemer beleggingsvrijheid heeft.

2 Artikel 52 van de Pensioenwet is in het eerste jaar na inwerkingtreding van genoemd artikel niet van toepassing indien een werkgever de pensioenregeling voor de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel bij een verzekeraar heeft ondergebracht.

3 Op degene die gewezen deelnemer is geworden voor de datum van inwerkingtreding van artikel 52, tweede lid, van de Pensioenwet, is genoemd artikel van toepassing indien zijn adres bij de pensioenuitvoerder bekend is of hij zich bij de pensioenuitvoerder heeft gemeld.

4 Artikel 63 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, geldt met ingang van de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel ten aanzien van de voor en na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel verworven en nog te verwerven pensioenaanspraken indien en zolang de deelnemer of de gewezen deelnemer beleggingsvrijheid heeft.

5 Artikel 63 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, is in het eerste jaar na inwerkingtreding van genoemd artikel niet van toepassing indien de beroepspensioenvereniging de pensioenregeling voor de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel bij een verzekeraar heeft ondergebracht.

6 Op degene die gewezen deelnemer is geworden voor de datum van inwerkingtreding van artikel 63, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, is genoemd artikel van toepassing indien zijn adres bij de pensioenuitvoerder bekend is of hij zich bij de pensioenuitvoerder heeft gemeld.

Hoofdstuk 2 — Overgangsrecht

Artikel 24

1 Indien een verzekeraar op de peildatum een vrijwillige voortzetting uitvoert die niet overeenkomstig artikel 54 van de Pensioenwet in de tijd beperkt wordt, kan de verzekeraar deze voortzetting voor de betreffende deelnemer blijven uitvoeren als pensioenregeling in de zin van de Pensioenwet.

2 Indien een verzekeraar op de peildatum een vrijwillige voortzetting uitvoert die niet overeenkomstig artikel 65 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, in de tijd beperkt wordt, kan de verzekeraar deze voortzetting voor de betreffende deelnemer blijven uitvoeren als pensioenregeling in de zin van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.

Hoofdstuk 2 — Overgangsrecht

Artikel 24a

1 Artikel 55, vijfde lid, van de Pensioenwet is van toepassing indien de beëindiging van de deelneming plaats vindt na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikellid.

2 Artikel 66, vijfde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, is van toepassing indien de beëindiging van de deelneming plaats vindt na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikellid.

3 Artikel 56, van de Pensioenwet is van toepassing indien het opnemen van onbetaald verlof plaats vindt na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.

4 Artikel 67 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, is van toepassing indien het opnemen van onbetaald verlof plaats vindt na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.

Hoofdstuk 2 — Overgangsrecht

Artikel 25

1 Artikel 57 van de Pensioenwet is van toepassing indien na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel een partnerrelatie van een deelnemer of een gewezen deelnemer eindigt door scheiding.

2 In afwijking van het eerste lid is artikel 57 van de Pensioenwet niet van toepassing indien:

a. de partnerrelatie van een gewezen deelnemer met een partner in de zin van de pensioenovereenkomst eindigt na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel;

b. de gewezen deelnemer voor de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel al gewezen deelnemer was geworden; en

c. de pensioenovereenkomst ten tijde van de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel niet voorziet in een bijzonder partnerpensioen.

3 Artikel 68 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, is van toepassing indien na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel een partnerrelatie van een deelnemer of een gewezen deelnemer eindigt door scheiding.

4 In afwijking van het derde lid is artikel 68 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, niet van toepassing indien:

a. de partnerrelatie van een gewezen deelnemer met een partner in de zin van de pensioenregeling eindigt na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel;

b. de gewezen deelnemer voor de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel al gewezen deelnemer was geworden; en

c. de pensioenregeling ten tijde van de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel niet voorziet in een bijzonder partnerpensioen.

Hoofdstuk 2 — Overgangsrecht

Artikel 25a

1 Tot de datum van inwerkingtreding van artikel 58 van de Pensioenwet blijven, in afwijking van artikel 2, de artikelen 8, vijfde en zesde lid, van de Pensioen- en spaarfondsenwet en 9, vierde en vijfde lid, van de Regelen verzekeringsovereenkomsten Pensioen- en spaarfondsenwet van toepassing.

2 Artikel 58 van de Pensioenwet is niet van toepassing op meeverzekerde stijgingen voor de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.

3 Tot de datum van inwerkingtreding van artikel 69 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, blijven de artikelen 44 en 45, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals deze luiden op de peildatum, van toepassing.

4 Artikel 69 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, is niet van toepassing op meeverzekerde stijgingen voor de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.

3 Artikel 58 van de Pensioenwet is niet van toepassing op meeverzekerde stijgingen na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel, voor zover de meeverzekerde stijging betrekking heeft op een premievrije voortzetting en het recht op de premievrije voortzetting is ontstaan voor de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.

Hoofdstuk 2 — Overgangsrecht

Artikel 26

1 Artikel 61 van de Pensioenwet is van toepassing op pensioenaanspraken die zijn opgebouwd na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel, tenzij in de pensioenovereenkomst is overeengekomen dat dit keuzerecht ook betrekking heeft op pensioenaanspraken die voor de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel zijn opgebouwd.

2 Artikel 73 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, is van toepassing op pensioenaanspraken die zijn opgebouwd na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel, tenzij in de pensioenregeling is overeengekomen dat dit keuzerecht ook betrekking heeft op pensioenaanspraken die voor de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel zijn opgebouwd.

Hoofdstuk 2 — Overgangsrecht

Artikel 27

1 Artikel 64 van de Pensioenwet is van toepassing indien vervreemding of een andere handeling als bedoeld in dat artikel plaats vindt na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.

2 Artikel 76 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, is van toepassing indien vervreemding of een andere handeling als bedoeld in dat artikel plaats vindt na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.

Hoofdstuk 2 — Overgangsrecht

Artikel 28

Vervallen

Hoofdstuk 2 — Overgangsrecht

Artikel 29

1 Artikel 67 van de Pensioenwet is van toepassing indien het partnerpensioen ingaat na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.

2 Indien het partnerpensioen is ingegaan voor de datum van inwerkingtreding van artikel 67 van de Pensioenwet, heeft de pensioenuitvoerder het recht om overeenkomstig genoemd artikel het partnerpensioen af te kopen indien de uitkering van het partnerpensioen op jaarbasis, getoetst op het tijdstip van ingang minder bedraagt dan het op grond van artikel 66 van de Pensioenwet vastgestelde bedrag per jaar en de partner hiermee instemt.

3 Artikel 79 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, is van toepassing indien het partnerpensioen ingaat na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.

4 Indien het partnerpensioen is ingegaan voor de datum van inwerkingtreding van artikel 79 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, heeft de pensioenuitvoerder het recht om overeenkomstig genoemd artikel het partnerpensioen af te kopen indien de uitkering van het partnerpensioen op jaarbasis, getoetst op het tijdstip van ingang minder bedraagt dan het op grond van artikel 78 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, vastgestelde bedrag per jaar en de partner hiermee instemt.

Hoofdstuk 2 — Overgangsrecht

Artikel 30

1 Artikel 68 van de Pensioenwet is van toepassing indien de aanspraak op bijzonder partnerpensioen op grond van artikel 57 van de Pensioenwet ontstaat als gevolg van een scheiding na de datum van inwerkingtreding van eerstgenoemd artikel.

2 Indien de scheiding plaatsvindt voor de datum van inwerkingtreding van artikel 68 van de Pensioenwet, heeft de pensioenuitvoerder het recht om overeenkomstig genoemd artikel het bijzonder partnerpensioen af te kopen, indien de uitkering van het partnerpensioen op jaarbasis, getoetst op het tijdstip van de scheiding, minder bedraagt dan het op grond van artikel 66 van de Pensioenwet vastgestelde bedrag per jaar en de gewezen partner hiermee instemt.

3 Artikel 80 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, is van toepassing indien de aanspraak op bijzonder partnerpensioen op grond van artikel 68 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, ontstaat als gevolg van een scheiding na de datum van inwerkingtreding van eerstgenoemd artikel.

4 Indien de scheiding plaatsvindt voor de datum van inwerkingtreding van artikel 80 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, heeft de pensioenuitvoerder het recht om overeenkomstig genoemd artikel het bijzonder partnerpensioen af te kopen, indien de uitkering van het partnerpensioen op jaarbasis, getoetst op het tijdstip van de scheiding, minder bedraagt dan het op grond van artikel 78 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, vastgestelde bedrag per jaar en de gewezen partner hiermee instemt.

Hoofdstuk 2 — Overgangsrecht

Artikel 31

Vervallen

Hoofdstuk 2 — Overgangsrecht

Artikel 32

1 De artikelen 71 tot en met 74 van de Pensioenwet zijn van toepassing indien de verwerving van pensioenaanspraken, bedoeld in artikel 71, derde lid, van de Pensioenwet op grond van de pensioenregeling van een nieuwe werkgever begint na de datum van inwerkingtreding van laatstgenoemd artikel.

2 In afwijking van het eerste lid geldt dat wanneer de ontvangende pensioenuitvoerder de uitvoerder is van een beroepspensioenregeling de artikelen 71 tot en met 74 van de Pensioenwet van toepassing zijn wanneer de beëindiging van de dienstbetrekking dan wel de beëindiging van de deelneming plaatsvindt na de datum van inwerkingtreding van artikel 71 van de Pensioenwet.

3 Indien op grond van het tweede lid geen plicht tot waardeoverdracht bestaat, geldt een bevoegdheid tot waardeoverdracht mits wordt voldaan aan de in artikel 71, eerste lid, onderdeel a, b en c en vierde lid, van de Pensioenwet genoemde voorwaarden.

4 De artikelen 82 tot en met 85 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals deze komen te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, zijn van toepassing indien de verwerving van pensioenaanspraken als bedoeld in artikel 82, derde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, begint na de datum van inwerkingtreding van laatstgenoemd artikel.

5 In afwijking van het vierde lid geldt dat wanneer de ontvangende pensioenuitvoerder de uitvoerder is van een pensioenregeling de artikelen 82 tot en met 85 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals deze komen te luiden na inwerkingtreding van deze wet, van toepassing zijn wanneer de beëindiging van de deelneming plaatsvindt na de datum van inwerkingtreding van artikel 82 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet.

6 Indien op grond van het vijfde lid geen plicht tot waardeoverdracht bestaat, geldt een bevoegdheid tot waardeoverdracht mits wordt voldaan aan de in artikel 82, eerste lid, onderdeel a, b en c en vierde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, genoemde voorwaarden.

Hoofdstuk 2 — Overgangsrecht

Artikel 33

De artikelen 76, 77 en 78 van de Pensioenwet zijn van toepassing bij beëindiging van de deelneming na de datum van inwerkingtreding van artikel 76 van de Pensioenwet.

Hoofdstuk 2 — Overgangsrecht

Artikel 34

1 Artikel 80 van de Pensioenwet is van toepassing indien de in het eerste lid van genoemd artikel bedoelde pensioendatum is gelegen na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.

2 Artikel 88 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, is van toepassing indien de in het eerste lid van genoemd artikel bedoelde pensioendatum is gelegen na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.

3 Onder pensioendatum als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt verstaan: de reguliere pensioendatum.

Hoofdstuk 2 — Overgangsrecht

Artikel 35

1 Artikel 83 van de Pensioenwet is van toepassing indien het verzoek van de werkgever, bedoeld in het eerste lid van genoemd artikel, wordt gedaan na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.

2 Artikel 91 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, is van toepassing indien het verzoek van de beroepspensioenvereniging, bedoeld in het eerste lid van genoemd artikel, wordt gedaan na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.

Hoofdstuk 2 — Overgangsrecht

Artikel 36

1 Artikel 84 van de Pensioenwet is van toepassing indien een pensioenuitvoerder wordt ontbonden na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.

2 Artikel 92 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, is van toepassing indien een pensioenuitvoerder wordt ontbonden na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.

Hoofdstuk 2 — Overgangsrecht

Artikel 37

1 Artikel 85 van de Pensioenwet is van toepassing wanneer de dienstbetrekking dan wel de deelneming eindigt na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.

2 Artikel 93 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, is van toepassing wanneer de deelneming eindigt na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.

Hoofdstuk 2 — Overgangsrecht

Artikel 38

1 Artikel 86 van de Pensioenwet is van toepassing indien de verwerving van pensioenaanspraken bij een van de Europese Gemeenschappen begint na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.

2 Artikel 94 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, is van toepassing indien de verwerving van pensioenaanspraken bij een van de Europese Gemeenschappen begint na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.

Hoofdstuk 2 — Overgangsrecht

Artikel 39

1 Artikel 87 van de Pensioenwet is van toepassing indien een verzoek, bedoeld in het eerste lid van genoemd artikel, wordt gedaan na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.

2 Artikel 95 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, is van toepassing indien een verzoek, bedoeld in het eerste lid van genoemd artikel, wordt gedaan na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.

Hoofdstuk 2 — Overgangsrecht

Artikel 40

1 Artikel 88 van de Pensioenwet is van toepassing indien een verzoek, bedoeld in genoemd artikel, wordt gedaan na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.

2 Artikel 96 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, is van toepassing indien een verzoek, bedoeld in genoemd artikel, wordt gedaan na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.

Hoofdstuk 2 — Overgangsrecht

Artikel 41

1 Artikel 89 van de Pensioenwet is van toepassing indien de in genoemd artikel bedoelde pensioendatum is gelegen na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.

2 Artikel 97 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, is van toepassing indien de in genoemd artikel bedoelde pensioendatum is gelegen na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.

3 Onder pensioendatum als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt in dit verband verstaan: de reguliere pensioendatum.

Hoofdstuk 2 — Overgangsrecht

Artikel 42

1 Artikel 90, eerste lid, van de Pensioenwet is van toepassing indien het verzoek van de werkgever, bedoeld in genoemd artikel, wordt gedaan na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.

2 Artikel 98, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, is van toepassing indien het verzoek van de beroepspensioenvereniging, bedoeld in genoemd artikel, wordt gedaan na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.

Hoofdstuk 2 — Overgangsrecht

Artikel 43

1 Artikel 91 van de Pensioenwet is van toepassing indien een verzoek, bedoeld in genoemd artikel, wordt gedaan na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.

2 Artikel 99 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, is van toepassing indien een verzoek, bedoeld in genoemd artikel, wordt gedaan na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.

Hoofdstuk 2 — Overgangsrecht

Artikel 43a

1 Artikel 92 van de Pensioenwet is van toepassing indien een verzoek, bedoeld in het eerste lid van genoemd artikel, wordt gedaan na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.

2 Artikel 100 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, is van toepassing indien een verzoek, bedoeld in het eerste lid van genoemd artikel, wordt gedaan na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.

Hoofdstuk 2 — Overgangsrecht

Artikel 44

1 Artikel 95, tweede lid, van de Pensioenwet is niet van toepassing op informatieverstrekking die heeft plaatsgevonden voor de datum van inwerkingtreding van genoemd artikellid.

2 Artikel 103, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, is niet van toepassing op informatieverstrekking die heeft plaatsgevonden voor de datum van inwerkingtreding van genoemd artikellid.

Hoofdstuk 2 — Overgangsrecht

Artikel 45

Vervallen

Hoofdstuk 2 — Overgangsrecht

Artikel 45a

Vervallen

Hoofdstuk 2 — Overgangsrecht

Artikel 46

Vervallen

Hoofdstuk 2 — Overgangsrecht

Artikel 47

Vervallen

Hoofdstuk 2 — Overgangsrecht

Artikel 48

Indien een werkgever zich uiterlijk op de peildatum heeft aangesloten bij een bedrijfstakpensioenfonds, blijft deze aansluiting in stand, ook als niet wordt voldaan aan de in artikel 121 van de Pensioenwet genoemde voorwaarden.

Hoofdstuk 2 — Overgangsrecht

Artikel 48a

Vervallen

Hoofdstuk 2 — Overgangsrecht

Artikel 48b

Vervallen

Hoofdstuk 2 — Overgangsrecht

Artikel 49

Vervallen

Hoofdstuk 2 — Overgangsrecht

Artikel 49a

Vervallen

Hoofdstuk 2 — Overgangsrecht

Artikel 50

Vervallen

Hoofdstuk 2 — Overgangsrecht

Artikel 51

Vervallen

Hoofdstuk 2 — Overgangsrecht

Artikel 52

1 Een aanwijzing die is gegeven met betrekking tot een overtreding van een voorschrift gesteld bij of krachtens de Pensioen- en spaarfondsenwet wordt na de datum van inwerkingtreding van artikel 1 van de Pensioenwet aangemerkt als een aanwijzing als bedoeld in artikel 171 van de Pensioenwet.

2 De toezichthouder kan na de datum van inwerkingtreding van artikel 1 van de Pensioenwet, onder toepassing van het op de peildatum geldende recht, een aanwijzing geven met betrekking tot een, voor de inwerkingtreding van artikel 1 van de Pensioenwet, begane overtreding van een voorschrift gesteld bij of krachtens de Pensioen- en spaarfondsenwet.

3 Een aanwijzing die is gegeven met betrekking tot een overtreding van een voorschrift gesteld bij of krachtens de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals die luidde voor de datum van inwerkingtreding van deze wet, wordt na de datum van inwerkingtreding van deze wet aangemerkt als een aanwijzing als bedoeld in artikel 166 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.

4 De toezichthouder kan na de datum van inwerkingtreding van deze wet, onder toepassing van het voor de inwerkingtreding van deze wet geldende recht, een aanwijzing geven met betrekking tot een, voor de inwerkingtreding van deze wet, begane overtreding van een voorschrift gesteld bij of krachtens de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals deze luidde voor de datum van inwerkingtreding van deze wet.

Hoofdstuk 2 — Overgangsrecht

Artikel 53

1 Een besluit tot benoeming van een of meer personen als curator op grond van artikel 23l van de Pensioen- en spaarfondsenwet, wordt na de datum van inwerkingtreding van artikel 1 van de Pensioenwet aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 172 van de Pensioenwet.

2 De toezichthouder kan na de datum van inwerkingtreding van artikel 1 van de Pensioenwet besluiten een of meer personen als curator ten aanzien van alle of bepaalde organen van een pensioenfonds te benoemen nadat door een pensioenfonds binnen de gestelde termijn niet of niet volledig gevolg is gegeven aan een aanwijzing op grond van de Pensioen- en spaarfondsenwet.

3 Een besluit tot benoeming van een of meer personen als curator op grond van artikel 82 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals deze luidde voor de datum van inwerkingtreding van deze wet, wordt na de datum van inwerkingtreding van deze wet aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 167 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.

4 De toezichthouder kan na de datum van inwerkingtreding van deze wet besluiten een of meer personen als curator ten aanzien van alle of bepaalde organen van een beroepspensioenfonds te benoemen nadat door een beroepspensioenfonds binnen de gestelde termijn niet of niet volledig gevolg is gegeven aan een aanwijzing op grond van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals deze luidde voor de datum van inwerkingtreding van deze wet.

Hoofdstuk 2 — Overgangsrecht

Artikel 54

1 Een bewindvoerder die is aangesteld door de ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam op grond van artikel 23m van de Pensioen- en spaarfondsenwet wordt na de datum van inwerkingtreding van artikel 1 van de Pensioenwet aangemerkt als een bewindvoerder die is aangesteld op grond van artikel 173 van de Pensioenwet.

2 Een bewindvoerder die is aangesteld door de ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam op grond van artikel 83 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals die wet luidde tot de datum van inwerkingtreding van deze wet, wordt na de datum van inwerkingtreding van deze wet aangemerkt als een bewindvoerder die is aangesteld op grond van artikel 168 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.

Hoofdstuk 2 — Overgangsrecht

Artikel 55

1 Een last onder dwangsom die is opgelegd terzake van overtreding van een voorschrift gesteld bij of krachtens de Pensioen- en spaarfondsenwet wordt na de datum van inwerkingtreding van artikel 1 van de Pensioenwet aangemerkt als een last onder dwangsom als bedoeld in artikel 175 van laatstgenoemde wet.

2 Een bestuurlijke boete die is opgelegd terzake van overtreding van een voorschrift gesteld bij of krachtens de Pensioen- en spaarfondsenwet wordt na de datum van inwerkingtreding van artikel 1 van de Pensioenwet aangemerkt als een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 176 van laatstgenoemde wet.

3 De toezichthouder kan na de datum van inwerkingtreding van artikel 1 van de Pensioenwet tot drie jaar na de dag waarop een overtreding is begaan een last onder dwangsom of een boete opleggen terzake van overtreding van een voorschrift gesteld bij of krachtens de Pensioen- en spaarfondsenwet.

4 Een last onder dwangsom die is opgelegd terzake van overtreding van een voorschrift gesteld bij of krachtens de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals die luidde voor de datum van inwerkingtreding van deze wet, wordt na de datum van inwerkingtreding van deze wet aangemerkt als een last onder dwangsom als bedoeld in artikel 170 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.

5 Een bestuurlijke boete die is opgelegd terzake van overtreding van een voorschrift gesteld bij of krachtens de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals die luidde voor de datum van inwerkingtreding van deze wet, wordt na de datum van inwerkingtreding van deze wet aangemerkt als een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 171 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.

6 De toezichthouder kan na de datum van inwerkingtreding van deze wet tot drie jaar na de dag waarop een overtreding is begaan een last onder dwangsom of een boete opleggen terzake van overtreding van een voorschrift gesteld bij of krachtens de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals deze luidde voor de datum van inwerkingtreding van deze wet.

7 Op het opleggen van een last onder dwangsom of bestuurlijke boete als bedoeld in het derde en zesde lid blijft het recht van toepassing dat gold op de peildatum respectievelijk op de datum voor inwerkingtreding van deze wet.

Hoofdstuk 2 — Overgangsrecht

Artikel 56

1 De in artikel 188 van de Pensioenwet opgenomen mogelijkheid tot openbaarmaking en de in artikel 191 opgenomen verplichting tot openbaarmaking heeft uitsluitend betrekking op feiten die plaatsvinden na de datum van inwerkingtreding van artikel 1 van de Pensioenwet.

2 De in artikel 183 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, opgenomen mogelijkheid tot openbaarmaking en de in artikel 186 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, opgenomen verplichting tot openbaarmaking heeft uitsluitend betrekking op feiten die plaatsvinden na de datum van inwerkingtreding van deze wet.

Hoofdstuk 2 — Overgangsrecht

Artikel 57

1 Een vergunning als bedoeld in artikel 32i van de Pensioen- en spaarfondsenwet die is verleend op grond van artikel 32j van de Pensioen- en spaarfondsenwet, berust vanaf de datum van inwerkingtreding van de Pensioenwet op artikel 192 van laatstgenoemde wet.

2 Voorschriften die zijn verbonden en beperkingen die zijn gesteld aan een vergunning die is verleend op grond van de Pensioen- en spaarfondsenwet berusten vanaf de datum van inwerkingtreding van artikel 1 van de Pensioenwet op de Pensioenwet.

Hoofdstuk 2 — Overgangsrecht

Artikel 58

1 Vanaf de datum van inwerkingtreding van deze wet vormt het register, bedoeld in artikel 20, tweede lid, van de Pensioen- en spaarfondsenwet het register, bedoeld in artikel 210 van de Pensioenwet.

2 Vanaf de datum van inwerkingtreding van deze wet vormt het register, bedoeld in artikel 71a van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dit luidde tot de datum van inwerkingtreding van deze wet, het register, bedoeld in artikel 204 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals deze luidt na inwerkingtreding van deze wet.

Hoofdstuk 2 — Overgangsrecht

Artikel 59

1 Een ontheffing die is verleend van de artikelen 3, 5, eerste lid, en 8b van de Pensioen- en spaarfondsenwet op grond van artikel 29 van de Pensioen- en spaarfondsenwet vervalt een jaar na de datum van inwerkingtreding van artikel 1 van de Pensioenwet.

2 Een ontheffing die is verleend van artikel 6 van de Pensioen- en spaarfondsenwet op grond van artikel 29 van de Pensioen- en spaarfondsenwet blijft van kracht.

3 Een ontheffing die is verleend van artikel 6a van de Pensioen- en spaarfondsenwet op grond van artikel 29 van de Pensioen- en spaarfondsenwet vervalt een jaar na de datum van inwerkingtreding van artikel 1 van de Pensioenwet.

4 Een ontheffing die is verleend van artikel 9b, tweede lid, van de Pensioen- en spaarfondsenwet op grond van artikel 29 van de Pensioen- en spaarfondsenwet blijft van kracht tot 23 september 2010, tenzij een pensioenfonds bijdragen ontvangt van een werkgever uit een andere lidstaat.

5 Een ontheffing die is verleend van artikel 10b, eerste tot en met derde lid, van de Pensioen- en spaarfondsenwet op grond van artikel 29 van de Pensioen- en spaarfondsenwet wordt vanaf de datum van inwerkingtreding van artikel 1 van de Pensioenwet aangemerkt als een ontheffing die is verleend van artikel 147 van de Pensioenwet op grond van artikel 212 van de Pensioenwet.

6 Een ontheffing die is verleend van artikel 53, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals die luidde voor de datum van inwerkingtreding van deze wet, op grond van artikel 84 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals die luidde voor de datum van inwerkingtreding van deze wet, vervalt een jaar na inwerkingtreding van deze wet.

7 Een ontheffing die is verleend van artikel 63, eerste tot en met derde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals die luidde voor de datum van inwerkingtreding van deze wet, op grond van artikel 84 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals die luidde voor de datum van inwerkingtreding van deze wet, wordt vanaf de datum van inwerkingtreding van deze wet aangemerkt als een ontheffing die is verleend van artikel 142 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden vanaf de datum van inwerkingtreding van deze wet, op grond van artikel 206 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden vanaf de datum van inwerkingtreding van deze wet.

8 Voorschriften die zijn verbonden en beperkingen die zijn gesteld aan een ontheffing die is verleend op grond van de Pensioen- en spaarfondsenwet respectievelijk de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals deze luidde voor de datum van inwerkingtreding van deze wet, berusten vanaf de datum van inwerkingtreding van artikel 1 van de Pensioenwet respectievelijk vanaf de datum van inwerkingtreding van deze wet op de Pensioenwet respectievelijk de Wet verplichte beroepspensioenregeling.

Hoofdstuk 2 — Overgangsrecht

Artikel 60

In afwijking van artikel 2 blijft ten aanzien van overtredingen van artikel 32, vierde en vijfde lid, en artikel 32ba van de Pensioen- en spaarfondsenwet die zijn begaan voor de datum van inwerkingtreding van artikel 1 van de Pensioenwet, artikel 30 van de Pensioen- en spaarfondsenwet van toepassing.

Hoofdstuk 2 — Overgangsrecht

Artikel 61

Ten aanzien van de op de peildatum bij de rechter aanhangige beroepen tegen besluiten op grond van de Pensioen- en spaarfondsenwet blijft, in afwijking van artikel 2, artikel 33a van de Pensioen- en spaarfondsenwet van toepassing.

Hoofdstuk 2 — Overgangsrecht

Artikel 62

Een klacht die op grond van artikel 6d van de Pensioen- en spaarfondsenwet bij De Nederlandsche Bank N.V. is ingediend voor de datum van inwerkingtreding van artikel 1 van de Pensioenwet wordt door De Nederlandsche Bank beoordeeld overeenkomstig artikel 6d van de Pensioen- en spaarfondsenwet.

Hoofdstuk 2 — Overgangsrecht

Artikel 63

1 In afwijking van artikel 2 blijven de artikelen 1, eerste lid, onderdeel g, en 8, tweede, derde en vierde lid, van de Pensioen- en spaarfondsenwet en artikel 1, eerste lid, onderdeel d, van de Wet betreffende verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds, zoals deze luidden op 31 december 1999, van toepassing ten aanzien van pensioenuitvoerders die aan die bepalingen voordien toepassing gaven, en wel in de gevallen en gedurende de termijn die daarvoor al waren vastgesteld, doch in elk geval niet langer dan gedurende tien jaar na 1 januari 2000 en met dien verstande dat de financiering ingevolge die bepalingen ten minste in gelijke delen per kalenderjaar plaatsvindt.

2 De Nederlandsche Bank N.V. kan toestaan dat, in afwijking van het eerste lid, een pensioenuitvoerder gedurende een langere periode dan daar bedoeld, maar niet langer dan gedurende vijftien jaar, toepassing geeft aan de daar genoemde bepalingen, voor zover dat noodzakelijk is ter voorkoming van onaanvaardbare financiële gevolgen voor het betrokken pensioenfonds of de betrokken werkgever.

3 Paragraaf 7.1 en de artikelen 171 en 172 van de Pensioenwet zijn van overeenkomstige toepassing op het eerste en tweede lid.

Hoofdstuk 2 — Overgangsrecht

Artikel 64

1 Indien een overdragend pensioenfonds een pensioenuitvoerder is als bedoeld in artikel 63 van deze wet, geldt in afwijking van artikel 72, onderdeel a, van de Pensioenwet geen plicht tot waardeoverdracht indien de financiele toestand van het pensioenfonds dat naar het oordeel van De Nederlandsche Bank N.V. niet toelaat.

2 De plicht tot waardeoverdracht van het overdragende pensioenfonds herleeft overeenkomstig artikel 74 van de Pensioenwet wanneer de financiele toestand van het pensioenfonds dat naar het oordeel van De Nederlandsche Bank N.V. op een later tijdstip wel toelaat.

3 Indien een overdragend beroepspensioenfonds een pensioenuitvoerder is als bedoeld in artikel 214, derde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, geldt in afwijking van artikel 83, onderdeel a, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, geen plicht tot waardeoverdracht indien de financiele toestand van het beroepspensioenfonds dat naar het oordeel van De Nederlandsche Bank N.V. niet toelaat.

4 De plicht tot waardeoverdracht van het overdragende beroepspensioenfonds herleeft overeenkomstig artikel 85 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, wanneer de financiele toestand van het beroepspensioenfonds dat naar het oordeel van De Nederlandsche Bank N.V. op een later tijdstip wel toelaat.

Hoofdstuk 2 — Overgangsrecht

Artikel 65

1 Een geldelijke, vastgestelde uitkering die op basis van artikel 4 van het Uitvoeringsbesluit pensioenaspecten Sociaal Akkoord 2004 wordt overeengekomen is geen pensioen als bedoeld in de Pensioenwet of de Wet verplichte beroepspensioenregeling voor zover deze nog niet is gefinancierd.

2 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot het eerste lid.

3 Na inwerkingtreding van dit artikel berust het Uitvoeringsbesluit pensioenaspecten Sociaal Akkoord 2004 mede op het tweede lid.

Hoofdstuk 2 — Overgangsrecht

Artikel 66

1 Een pensioenuitvoerder is bevoegd de pensioenaanspraken, opgebouwd ten behoeve van pensioen in de periode voorafgaand aan de datum waarop de deelnemer of gewezen deelnemer de leeftijd van 65 jaar bereikt, af te kopen, mits het verzoek van de deelnemer of gewezen deelnemer tot afkoop uiterlijk binnen twee maanden na het ontvangen van de in artikel 17, zesde lid, van de Pensioen- en spaarfondsenwet bedoelde opgave wordt gedaan en mits de afkoopsom:

a. wordt berekend overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels;

b. wordt aangewend ten behoeve van een levensloopregeling als bedoeld in artikel 19g van de Wet op de loonbelasting 1964; en

c. rechtstreeks wordt overgedragen aan de uitvoerder van de levensloopregeling als bedoeld in artikel 19g, derde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964.

2 Het eerste lid is niet van toepassing voor zover de echtgenoot ter zake van de pensioenaanspraken een recht op uitbetaling heeft als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding.

3 Na de datum van inwerkingtreding van dit artikel berust het Uitvoeringsbesluit pensioenaspecten Sociaal Akkoord 2004 mede op het eerste lid, onderdeel a, van dit artikel.

Hoofdstuk 2 — Overgangsrecht

Artikel 67

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen met het oog op de goede invoering van de Pensioenwet en deze wet regels worden gesteld waarbij zo nodig kan worden afgeweken van het bepaalde bij of krachtens voornoemde wet of deze wet.

Hoofdstuk 3 — Wijziging van andere wetten › Paragraaf 1 — Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Artikel 68

Wijzigt de Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst.

Hoofdstuk 3 — Wijziging van andere wetten › Paragraaf 1 — Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Artikel 69

Wijzigt de Wet privatisering FVP.

Hoofdstuk 3 — Wijziging van andere wetten › Paragraaf 1 — Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Artikel 70

Wijzigt de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.

Hoofdstuk 3 — Wijziging van andere wetten › Paragraaf 1 — Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Artikel 70a

Wijzigt de Pensioenwet.

Hoofdstuk 3 — Wijziging van andere wetten › Paragraaf 1 — Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Artikel 71

Wijzigt de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000.

Hoofdstuk 3 — Wijziging van andere wetten › Paragraaf 1 — Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Artikel 71a

Wijzigt de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

Hoofdstuk 3 — Wijziging van andere wetten › Paragraaf 1 — Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Artikel 72

Wijzigt de Wet verplichte beroepspensioenregeling.

Hoofdstuk 3 — Wijziging van andere wetten › Paragraaf 1 — Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Artikel 73

1 Voor de plaatsing in het Staatsblad stelt Onze Minister de nummering van de artikelen van de Pensioenwet opnieuw vast en brengt hij de in de Pensioenwet voorkomende aanhalingen van de artikelen met de nieuwe nummering in overeenstemming.

2 De tekst van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals deze komt te luiden na inwerkingtreding van deze wet, wordt in het Staatsblad geplaatst. Voor de plaatsing in het Staatsblad stelt Onze Minister de nummering van de artikelen opnieuw vast en brengt hij de in de Wet verplichte beroepspensioenregeling voorkomende aanhalingen van de artikelen met de nieuwe nummering in overeenstemming.

3 Voor de plaatsing van deze wet in het Staatsblad brengt Onze Minister de aanhalingen van de artikelen in deze wet van de Wet verplichte beroepspensioenregeling en van de Pensioenwet in overeenstemming met de vastgestelde nummering van die wetten.

Hoofdstuk 3 — Wijziging van andere wetten › Paragraaf 2 — Buitenlandse Zaken

Artikel 74

Wijzigt de Sanctiewet 1977.

Hoofdstuk 3 — Wijziging van andere wetten › Paragraaf 3 — Justitie

Artikel 75

Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 3 en Boek 7.

Hoofdstuk 3 — Wijziging van andere wetten › Paragraaf 3 — Justitie

Artikel 76

Wijzigt de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie.

Hoofdstuk 3 — Wijziging van andere wetten › Paragraaf 3 — Justitie

Artikel 77

Wijzigt de Wet op de rechterlijke organisatie.

Hoofdstuk 3 — Wijziging van andere wetten › Paragraaf 3 — Justitie

Artikel 78

Wijzigt de Wet op het notarisambt.

Hoofdstuk 3 — Wijziging van andere wetten › Paragraaf 3 — Justitie

Artikel 79

Wijzigt de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding.

Hoofdstuk 3 — Wijziging van andere wetten › Paragraaf 4 — Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Artikel 80

Wijzigt de Wet gevolgen privatisering ABP voor het personeel van de Koninklijke Hofhouding.

Hoofdstuk 3 — Wijziging van andere wetten › Paragraaf 4 — Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Artikel 81

Wijzigt de Wet privatisering ABP.

Hoofdstuk 3 — Wijziging van andere wetten › Paragraaf 5 — Financiën

Artikel 82

Wijzigt de Comptabiliteitswet 2001.

Hoofdstuk 3 — Wijziging van andere wetten › Paragraaf 5 — Financiën

Artikel 83

Wijzigt de Fusiewet De Nederlandsche Bank N.V. en de Stichting Pensioen- & Verzekeringskamer.

Hoofdstuk 3 — Wijziging van andere wetten › Paragraaf 5 — Financiën

Artikel 84

Wijzigt de Wet identificatie bij dienstverlening.

Hoofdstuk 3 — Wijziging van andere wetten › Paragraaf 5 — Financiën

Artikel 85

Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964.

Hoofdstuk 3 — Wijziging van andere wetten › Paragraaf 5 — Financiën

Artikel 85a

Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001.

Hoofdstuk 3 — Wijziging van andere wetten › Paragraaf 5 — Financiën

Artikel 86

Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.

Hoofdstuk 3 — Wijziging van andere wetten › Paragraaf 5 — Financiën

Artikel 87

Wijzigt de Wet toezicht effectenverkeer 1995.

Hoofdstuk 3 — Wijziging van andere wetten › Paragraaf 5 — Financiën

Artikel 88

Wijzigt de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993.

Hoofdstuk 3 — Wijziging van andere wetten › Paragraaf 6 — Defensie

Artikel 89

Wijzigt de Kaderwet militaire pensioenen.

Hoofdstuk 3 — Wijziging van andere wetten › Paragraaf 7 — Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Artikel 90

Wijzigt de Wet op de medische keuringen.

Hoofdstuk 4 — Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 91

Als de uitoefening van het bedrijf van levensverzekeraar of het bedrijf van schadeverzekeraar wordt niet beschouwd:

a. het sluiten of afwikkelen van levensverzekeringen onderscheidenlijk schadeverzekeringen voor eigen rekening door bijdragende ondernemingen in de zin van artikel 1, eerste lid, onderdeel m, van de Pensioen- en spaarfondsenwet, zoals deze luidde voor de datum van inwerkingtreding van deze wet, of pensioeninstellingen die voor eigen rekening geen andere levensverzekeringen of schadeverzekeringen sluiten of afwikkelen dan die welke dienen ter uitvoering van toezeggingen als bedoeld in artikel 19; en

b. het handelen van een ondernemingsspaarfonds in de zin van artikel 1, eerste lid, onderdeel d, van de Pensioen- en spaarfondsenwet, zoals deze luidde voor de datum van inwerkingtreding van deze wet, ter uitvoering van een door een werkgever getroffen regeling tot sparen voor een uitkering bij wijze van oudedagsvoorziening zolang sprake is van een spaarfonds als bedoeld in artikel 5.

Hoofdstuk 4 — Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 92

Wijzigt de Wet op het financieel toezicht.

Hoofdstuk 4 — Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 93

Wijzigt de Pensioenwet.

Hoofdstuk 4 — Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 93a

Wijzigt de Invoerings- en aanpassingswet Wet op het financieel toezicht.

Hoofdstuk 4 — Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 94

Wijzigt de Wet verplichte beroepspensioenregeling.

Hoofdstuk 4 — Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 95

Wijzigt de Wet verplichte beroepspensioenregeling.

Hoofdstuk 4 — Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 95a

Wijzigt de Pensioenwet.

Hoofdstuk 4 — Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 95b

Wijzigt de Mededingingswet.

Hoofdstuk 4 — Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 96

1 Als de uitoefening van het bedrijf van levensverzekeraar of het bedrijf van schadeverzekeraar wordt niet beschouwd:

a. het sluiten of afwikkelen van levensverzekeringen onderscheidenlijk schadeverzekeringen voor eigen rekening door ondernemingen of pensioeninstellingen die voor eigen rekening geen andere levensverzekeringen of schadeverzekeringen sluiten of afwikkelen dan die welke dienen ter uitvoering van toezeggingen als bedoeld in artikel 19; en

b. het handelen van een ondernemingsspaarfonds ter uitvoering van een door een werkgever getroffen regeling tot sparen voor een uitkering bij wijze van oudedagsvoorziening zolang sprake is van een spaarfonds als bedoeld in artikel 5.

2 De Wet op het financieel toezicht is, met uitzondering van het Algemeen Deel en het Deel Gedragstoezicht financiële markten, niet van toepassing zolang sprake is van spaarfondsen als bedoeld in artikel 5 en van:

a. het verlenen van financiële diensten door ondernemingsspaarfondsen voorzover zij die financiële diensten verlenen aan de onderneming waarmee zij zijn verbonden; en

b. het beheren van individuele vermogens ten behoeve van ondernemingsspaarfondsen als bedoeld in onderdeel a of daaraan gelieerde fondsen door personen die zijn verbonden aan het fonds waaraan deze financiële dienst wordt verleend.

Hoofdstuk 4 — Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 96a

Onze Minister brengt voor de plaatsing van deze wet in het Staatsblad de in deze wet voorkomende verwijzingen naar artikelen uit de Wet op het financieel toezicht in overeenstemming met de op grond van artikel 7:1 van die wet opnieuw vastgestelde nummering.

Hoofdstuk 4 — Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 97

1 De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

2 Bij de vaststelling van het in het eerste lid bedoelde tijdstip van inwerkingtreding kan onderscheid gemaakt worden tussen pensioenuitvoerders.

Hoofdstuk 4 — Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 98

Deze wet wordt aangehaald als: Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet.