2.5 Doelstellingen en taken van de overheid op beleidsterrein Natuur- en landschapsbeheer Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Natuur- en Landschapsbeheer vanaf 1945 (Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport)
De doelstellingen van het nationale natuurbeleid sinds 1945 kennen de volgende hoofdlijnen:
– in standhouding, herstel en ontwikkeling van nationaal en internationaal belangrijke ecosystemen binnen een ruimtelijk stabiele ecologische hoofdstructuur;
– in standhouding van aardkundige, cultuurhistorische en belevingswaarden van gebieden met specifieke landschappelijke waarden;
– versterking van de natuurcomponenten van het milieu- en waterbeleid en van het ruimtelijk beleid.
Natuur- en landschapsbeheer focust zich hierbinnen op het beschermen, in standhouden en ontwikkelen van cultuur-historische en anderszins waardevolle landschappen.
In de eerste naoorlogse jaren waren zowel verwerving en beheer van waardevolle gebieden als educatie belangrijke instrumenten voor natuurbehoud. Na verschillende initiatieven tot natuureducatie op lokaal niveau werd in 1960 het Instituut voor Natuurbeschermingseducatie (IVN) opgericht. CRM gaf deze instelling subsidie voor diverse projecten. Veel provincies gaven bijdragen voor de provinciale consulenten voor natuur en milieueducatie.
In de jaren zestig brak het besef door dat natuur en landschap niet konden voortbestaan zonder goed beheer op basis van een beheersplan. Staatsbosbeheer stelde zich ten doel voor alle terreinen een beheersplan te maken, en de Vereniging voor Natuurmonumenten en de provinciale landschappen volgden dat voorbeeld en ontvingen daarvoor van CRM subsidie. Het ministerie van Landbouw en Visserij verleende boseigenaren vanaf 1967 een bosbijdrage.
Van groot belang voor het natuurbehoud was de totstandkoming van de Natuurbeschermingswet (Stb. 1967, 572), die in 1968 in werking trad als wettelijk kader voor de bescherming van zowel natuurgebieden als inheemse planten- en diersoorten. De al eerder bestaande aanwijzing van staatsnatuurmonumenten werd nu geformaliseerd en uitgebreid met de mogelijkheid om ook particuliere gebieden in samenspraak met de betrokken provincies en gemeenten aan te wijzen als beschermd natuurmonument. Tegelijk voorzag de wet in de totstandkoming van beheersplannen voor dergelijke particuliere gebieden.
Het nieuwe Rijksaankoopplan uit 1969 voorzag in de aanschaf van 110.000 hectare aan natuurgebied, die in twintig jaar gerealiseerd zou moeten worden: 70.000 ha. door SBB en gemeenten en 40.000 ha. door particuliere natuurbeheerorganisaties. De particuliere aankopen werden mogelijk gemaakt door het leningensysteem van CRM. Dit systeem met een looptijd van twintig jaar bestond uit een afspraak met het ministerie van Financiën over de lening van een jaarlijks bedrag van 20 miljoen gulden, waarbij Financiën de rente en aflossing beschikbaar stelde. De grondprijsstijgingen bleven beperkt door het grote aanbod van weinig rendabele marginale landbouwgronden, bos en natuurterrein, zeker in vergelijking met (landbouw)gronden die voor stedelijke doeleinden gebruikt werden. Dit was het gevolg van het in vergelijking met de ons omringende landen stringente planologische beleid.
Naarmate de bevolking en de welvaart na de wederopbouw groeiden ontstond er een toenemende druk op de natuur. Stadsuitbreiding, industrialisatie, wegenaanleg, productieverhoging in de landbouw, ruilverkaveling, grote waterstaatswerken en militaire oefenterreinen gingen ten koste van het landschapsschoon en verarmden de flora en fauna zienderogen. Hoewel milieubederf geleidelijk werd erkend als gevaar voor de natuur, lag het argument voor natuurbehoud voorlopig nog altijd bij de recreatie. In de jaren zeventig werd de vrees voor het voortbestaan van de mens een overwegend motief om natuur en milieu te beschermen. Markante aanleidingen daarvoor waren het in 1972 verschenen rapport van de Club van Rome en de in 1973 uitgebroken eerste oliecrisis. Het jaar 1970 was overigens uitgeroepen tot internationaal natuurbeschermingsjaar.
Vanwege de toegenomen complexiteit differentieerde de overheid het brede beleidsveld natuur en landschap in een reeks beleidscategorieën, die voor het eerst uitgewerkt werden in de Structuurvisie Natuur en Landschap 1977.
De tijdgeest van democratisering werd ook zichtbaar bij de natuurbescherming. Tijdens een vergadering van de Vereniging voor Natuurmonumenten in 1969 gaven jongeren aan te willen participeren in de natuurbeschermingsorganisaties. In deze periode ontstonden actiegroepen die zich onder andere verenigden in de stichting Natuur en Milieu. De stichting kreeg subsidie van CRM en de provinciale milieufederaties; op basis van de werkgelegenheidsplannen 1978–1982 werden de subsidies zelfs duurzaam.
Het beheer van natuur en landschap werd in de jaren 1978–1981 versterkt doordat de sector participeerde in tijdelijke en structurele werkgelegenheidsplannen. In het kader van het Integraal Structuurplan Noorden des Lands 1978 werden belangrijke projecten inzake het herstel van landschapselementen in Noord-Nederland uitgevoerd. Duurzame arbeidsplaatsen voor natuur- en landschapsbeheer kwamen zowel beschikbaar door dit structuurplan als door het nationale arbeidsplaatsplan Kwartaire Sector en het werkgelegenheidsplan van Den Uyl-Van Thijn. Voor deze arbeidsplaatsen kwamen niet alleen de grote organisaties als Staatsbosbeheer, Vereniging Natuurmonumenten, Natuur en Milieu en de provinciale landschappen in aanmerking, maar ook Landschapsbeheer Nederland (voorheen LONL), de elf provinciale stichtingen landschapsbeheer en de stichting tot Behoud van particuliere Historische Buitenplaatsen.
Aan het begin van de jaren tachtig leidden milieuschandalen en agrarische overbemesting tot wezenlijke politieke belangstelling voor natuur en milieu. Het besef groeide dat de natuur van de kwetsbare zandgronden en hoogvenen reddeloos verloren was. In de Natuurverkenning 1977 werd al geconstateerd dat de milieudruk door verzuring, vermesting en verdroging te hoog was om de gewenste natuurdoelen te realiseren. Met grootschalige ingrepen als het plaggen van duinvalleien en met name heidevelden en het opschonen van vennen probeerde de rijksoverheid tijdelijk soelaas te bieden, totdat de milieucondities zodanig verbeterd zouden zijn dat de natuur in ieder geval binnen de Ecologische Hoofdstructuur van Nederland weer voldoende stabiliteit zou krijgen. Zodoende kreeg het beleidsterrein er naast verwerving en beheer een nieuwe invalshoek bij: de ruimtelijke ordening.
- Regeling
- Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Natuur- en Landschapsbeheer vanaf 1945 (Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport)
- Soort
- Archiefselectielijst
- Geldend vanaf
- 09-12-2006
- BWB-id
- BWBR0020582
- Versie
- 2006-12-09_0