Het deelbeleidsterrein speciaal onderwijs Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen Onderwijsraad beleidsterrein Wetenschappelijk onderwijs (1945) 1960–1997
Het deelbeleidsterrein ‘speciaal onderwijs’ omvat zowel het speciaal onderwijs als het voortgezet speciaal onderwijs.
Het deelbeleidsterrein maakt, samen met het deelbeleidsterrein ‘basisonderwijs’ deel uit van het beleidsterrein ‘Primair Onderwijs’.
In zowel het RIO als in dit BSD worden zowel de termen ‘buitengewoon onderwijs’ als ‘speciaal onderwijs’ door elkaar heen gebruikt; het betreft evenwel in beide gevallen het onderwijs aan kinderen die niet deel kunnen nemen aan het reguliere onderwijs, door maatschappelijke factoren dan wel door factoren op het gebied van het leren of van opvoedkundige aard. Het gebruik van ofwel de term ‘buitengewoon onderwijs’ ofwel de benaming ‘speciaal onderwijs’ is gerelateerd aan de periode waarin een bepaalde handeling plaatsvond: de benaming ‘speciaal onderwijs’ deed namelijk pas in 1977 (Nota Speciaal onderwijs) zijn intrede en het zou, historisch gezien, niet passen in beschrijvingen van handelingen die veel vroeger plaatsvonden.
De Lager-Onderwijswet van 1920, en met name het artikel 3, kan gezien worden als basis voor het overheidsbeleid op het gebied van het buitengewoon onderwijs. Artikel 3 spreekt namelijk van ‘kinderen, die wegens ziels- of lichaamsgebreken of uit maatschappelijk oorzaak niet in staat zijn geregeld en met vrucht het gewone onderwijs te volgen of wier gedrag het noodzakelijk maakt hun buitengewoon onderwijs te doen geven’.
Door de jaren heen verandert de terminologie; ‘buitengewoon lager onderwijs’ wordt vervangen door ‘buitengewoon onderwijs’ en later door ‘speciaal onderwijs’. Ook de doelgroep is van wisselende samenstelling; behoren bijvoorbeeld schipperskinderen tot 1985 nog bij het buitengewoon onderwijs, na die tijd vallen zij onder de werkingssfeer van de Wet op het basisonderwijs.
In de Interimwet op het Speciaal Onderwijs en Voortgezet Speciaal Onderwijs (ISOVSO) van 1982 wordt het speciaal onderwijs als volgt gedefinieerd:
Speciaal onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs zijn bedoeld voor leerlingen vanaf drie tot twintig jaar voor wie vaststaat dat overwegend een orthopedagogische of orthodidactische benadering noodzakelijk is.
De verschillende onderwijsvormen binnen deze typen onderwijs zijn toegespitst op leerlingen met zeer uiteenlopende specifieke problemen:
– –aangepast aan lichamelijke handicaps of problemen (dovenscholen, mytylscholen, ziekenhuisscholen, enz.)
– aangepast aan leerproblemen of verstandelijke handicaps (MLK, ZMLK)
– aangepast aan opvoedingsproblemen (LOM, ZMOK, PI)
De overheid, dat wil zeggen de minister belast met het onderwijs, heeft sinds 1920 de taak te zorgen dat er voldoende scholen voor speciaal onderwijs zijn, en dat er beleid ontwikkeld en uitgevoerd wordt op dit terrein. Verder moet hij zorg dragen voor de structurering en de bekostiging van het speciaal onderwijs, vernieuwingen binnen het speciaal onderwijs bevorderen en zorgdragen voor de evaluatie van het beleid.
De doelstellingen van het onderwijsbeleid op het gebied van het speciaal onderwijs zijn als volgt: het onderwijs dient te worden afgestemd op de ontwikkelingsmogelijkheden van de leerling, en dient daarom zodanig ingericht te worden dat een ononderbroken ontwikkelingsproces doorlopen kan worden. Zo mogelijk brengt het leerlingen tot het volgen van gewoon onderwijs in scholen voor basisonderwijs of voortgezet onderwijs.
Verder moet het onderwijs zich richten op de emotionele en verstandelijke ontwikkeling van de leerling binnen het speciaal onderwijs, op het ontwikkelen van creativiteit, het verwerven van kennis en van sociale, culturele en lichamelijke vaardigheden.
- Regeling
- Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen Onderwijsraad beleidsterrein Wetenschappelijk onderwijs (1945) 1960–1997
- Soort
- Archiefselectielijst
- Geldend vanaf
- 21-10-2006
- BWB-id
- BWBR0020344
- Versie
- 2006-10-21_0