wetzoeker

Paragraaf 2. Vaststelling fictieve opzegtermijn Beleidsregels toepassing artikel 16, derde lid en artikel 24, vijfde lid, WW 2006

Paragraaf 2 geeft aan op welke wijze de periode, waarover de inkomsten waarop de werknemer recht heeft in verband met de beëindiging van de dienstbetrekking gelijkgesteld moet worden met het recht op onverminderde doorbetaling van zijn loon, berekend moet worden.

Allereerst dient de niet in acht genomen fictieve opzegtermijn te worden vastgesteld. Vervolgens wordt het bedrag aan inkomsten in verband met de eindiging van de dienstbetrekking gedeeld door het loon per dag, zoals omschreven in paragraaf 1. Het verkregen cijfer wordt door UWV naar beneden afgerond op een heel geheel getal (bijvoorbeeld 26,9 wordt 26). Deze uitkomst is het maximale aantal uitkeringsdagen waarop de vergoeding betrekking heeft.

Indien dit maximale aantal uitkeringsdagen kleiner is dan het aantal uitkeringsdagen die liggen in de fictieve dan wel nog in acht te nemen opzegtermijn, wordt door UWV uitgegaan van het lagere aantal uitkeringsdagen. Als het maximale aantal uitkeringsdagen echter groter is dan het aantal uitkeringdagen die liggen in de fictieve dan wel nog in acht te nemen opzegtermijn, gaat UWV uit van het aantal uitkeringsdagen die liggen in de fictieve dan wel de nog in acht te nemen opzegtermijn.

Regeling
Beleidsregels toepassing artikel 16, derde lid en artikel 24, vijfde lid, WW 2006
Afkortingen
Bt art 16/24 WW
Soort
ZBO-regeling
Geldend vanaf
01-10-2006
BWB-id
BWBR0020336
Versie
2006-10-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl